Vorderingen behoren niet tot ondernemingsvermogen; verlies niet aftrekbaar


Samenvatting

Belanghebbende drijft sinds 2004 een onderneming in de vorm van een tandartspraktijk. De broer van belanghebbende hield 75% van de aandelen in F bv, waarin een visverwerkingsbedrijf werd geëxploiteerd. Belanghebbende heeft diverse leningen aan zijn broer verstrekt, die het geld gebruikte voor F bv. Eind 2009 bedragen de vorderingen van belanghebbende op zijn broer € 500.619. In zijn aangiften IB/PVV heeft belanghebbende de vorderingen altijd aangegeven als bezittingen voor het inkomen uit sparen en beleggen (box 3). F bv is eind 2008 failliet gegaan. In geschil is of belanghebbende het bedrag van de vorderingen op zijn broer als verlies op het inkomen uit werk en woning over 2009 in mindering mag brengen. Het hof oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in zijn tandartspraktijk aanwezige overtollige liquide middelen tijdelijk aan zijn broer heeft uitgeleend. De vorderingen op de broer behoren dientengevolge niet tot het ondernemingsvermogen van de tandartspraktijk. Het hof acht voorts aannemelijk dat belanghebbende substantiële werkzaamheden voor F bv heeft verricht, doch niet aannemelijk dat deze werkzaamheden vanuit een onderneming tussen belanghebbende, zijn broer en F bv zijn verricht. Ook in dit kader behoren de vorderingen volgens het hof derhalve niet tot het (verplichte) vermogen van een onderneming van belanghebbende. Voorts oordeelt het hof dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werkzaamheden van belanghebbende voor F bv gericht waren op het behalen van voordelen die het bij normaal actief vermogensbeheer te verwachten rendement te boven gaan.

(Hoger beroep ongegrond.)

Commentaar

Belanghebbende heeft een (blijkbaar) succesvolle tandartspraktijk en ziet dat zijn broer met zijn visverwerkingsbedrijf financiële ondersteuning kan gebruiken. Hij verstrekt meerdere…

Verder lezen
Terug naar overzicht