Vzngr. CRvB 15-09-2003 (Vermeulen), KG 2003, 267


Competentie. Gezagsverhouding.

Een werknemer gaat akkoord met de beëindiging van zijn dienstverband en krijgt in verband hiermee aanspraak op wachtgeld. Bijna zeven jaar later krijgt hij van zijn werkgever de verplichting opgelegd passende werkzaamheden te verrichten op straffe van korting van zijn wachtgeld. Zijn bezwaar wordt ongegrond verklaard. De werknemer verzoekt de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter verklaard zich onbevoegd omdat het hier gaat om een privaatrechtelijke arbeidsverhouding. De beslissing op bezwaar is namelijk geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Uit de in het dossier aanwezige arbeidsovereenkomst blijkt dat de werknemer niet als ambtenaar is aangesteld. De werknemer gaat in hoger beroep en verzoekt de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep tevens een voorlopige voorziening. Hij stelt dat de benaming arbeidsovereenkomst een kennelijke fout is. Bovendien wijst het van toepassing verklaarde Reglement rechtspositie verenigde muzieklycea niet op een arbeidsovereenkomst. De voorzieningenrechter overweegt dat het gaat om de vraag of in een bodemprocedure hoogstwaarschijnlijk zal worden geconcludeerd dat de brief, waarbij de werknemer verplicht werd passende werkzaamheden te verrichten, een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De voorzieningenrechter kan deze vraag niet bevestigend beantwoorden en ziet onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling dat de benaming arbeidsovereenkomst een kennelijke fout is. Beide partijen hebben onmiskenbaar als werknemer en als werkgever een arbeidsovereenkomst gesloten en daarvan maakt deel uit het Reglement rechtspositie verenigde muzieklycea, waarin slechts sprake is van een arbeidsovereenkomst. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om toepassing van art. 8:81 Awb dan ook af.

Terug naar overzicht