Vzngr. Ktr. Rotterdam 23-08-2002 (Koster), JAR 2002, 218


Ontbinding gewichtige redenen (nakoming beëindigingsovereenkomst). Schadeloosstelling (C=1,5).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 218.

De werkgever heeft de werknemer - 46 jaar oud, zeven jaar in dienst, laatstelijk als manager sales, salaris € 3.608,-- bruto per maand exclusief vakantietoeslag en emolumenten - op 29 maart 2002 laten weten een einde te willen maken aan het dienstverband tussen partijen. De werknemer heeft daartegen bij brief van 9 april 2002 bezwaar gemaakt. Op dezelfde datum heeft de werkgever de werknemer een voorstel voor een beëindigingsregeling gedaan. Deze heeft daarop op 23 april bij brief van zijn gemachtigde laten weten nog die week met een reactie te zullen komen. De werkgever heeft gereageerd met de mededeling de volgende dag een reactie te willen ontvangen. De gemachtigde heeft de volgende dag aan de werkgever een ander voorstel gedaan. Daarbij heeft hij geschreven dat er een vergoeding voldaan moet worden die recht doet aan de omstandigheden van het geval en waarbij uitgegaan moet worden van de kantonrechtersformule waarbij factor C op 1,5 wordt gesteld. De werkgever heeft met dit voorstel ingestemd. Vervolgens is gebleken, tijdens de wisseling van conceptstukken ten behoeve van de pro forma ontbindingsprocedure, dat de werkgever bedoelde de werknemer geheel geen vergoeding te betalen. De werkgever zou niet hebben geweten wat bedoeld werd met de kantonrechtersformule. De werknemer vordert thans nakoming van de zijns inziens overeengekomen beëindigingsregeling. De kantonrechter is van oordeel dat de werkgever zich niet kan beroepen op onwetendheid aan zijn kant omtrent de kantonrechtersformule en de inhoud en invulling hiervan. De brief van de gemachtigde van de werknemer spreekt duidelijk over deze kantonrechtersformule en de toe te passen correctiefactor. De werkgever heeft zelf in dit stadium druk gezet op de snelheid waarmee gehandeld moest worden en heeft kennelijk de betreffende zin over het hoofd gezien. Dat de werkgever ervoor heeft gekozen zonder advocaten te opereren, komt voor zijn risico. Het ligt niet op de weg van de advocaat van de werknemer om de werkgever te informeren wat de kantonrechtersformule inhoudt. Het beroep van de werkgever op dwaling wordt daarom gepasseerd. De werknemer mocht, naar het oordeel van de kantonrechter, het gerechtvaardigd vertrouwen hebben dat een overeenkomst tot stand was gekomen. Dat dit achteraf niet de bedoeling blijkt geweest van de werkgever kan deze niet meer baten. De werkgever zal de beëindigingsregeling moeten nakomen.

Terug naar overzicht