Vzngr. Rb. Dordrecht 17-07-2003 (Van Veen), KG 2003, 173


Bedrijfsongeval. Smartengeld.

Bij een 67-jarige ex-werknemer is mesothelioom vastgesteld, waarvoor de werknemer de werkgever aansprakelijk stelt. De werknemer, die 32 jaar bij de werkgever als ijzerwerker heeft gewerkt, stelt gedurende de periode van 1958 tot 1961 blootgesteld te zijn aan asbest. De werknemer vordert in kort geding een voorschot immateriële schadevergoeding. De werkgever, die stelt als gevolg van het verloren gaan van de personeelsadministratie niet meer te kunnen achterhalen wanneer de werknemer in dienst is geweest, beroept zich op verjaring omdat er meer dan 30 jaar verstreken is voordat de diagnose mesothelioom is gesteld. De kantonrechter overweegt dat toewijzing van de vordering slechts mogelijk is indien het beroep op de verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Zulk een uitzonderlijk geval kan zich voordoen wanneer onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken inderdaad tot schade zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin naar haar aard verborgen is gebleven en pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken (zie HR 28-04-2000, Van Hese/De Schelde, RvdW 2000, 118, JOL 2000, 264, NJ 2000, 430, JAR 2000, 122, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2000, blz. 27). De voorzieningenrechter is van oordeel dat de blootstelling aan asbest de werkgever in ernstige mate kan worden verweten. Dat gevaar voor mesothelioom nog niet bekend was, doet aan de aansprakelijkheid van de werkgever niet af. Ook voor het verstrijken van de verjaringstermijn had de werkgever rekening moeten houden met de mogelijkheid aansprakelijk te zijn. Hoewel er 16 maanden verstreken zijn tussen de aansprakelijkstelling en het indienen van de vordering, is er sprake van een redelijke termijn nu het tijdsverloop voor een belangrijk deel aan de werkgever is te wijten. Gelet op al deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter het beroep op verjaring in strijd met de redelijkheid en billijkheid. De voorzieningenrechter wijst de vordering toe, mede gezien het belang van de ex-werknemer bij het toekennen van een schadevergoeding bij leven.

Terug naar overzicht