Vzngr. Rb. Haarlem 20-09-2002 (Schotman), KG 2003, 14


Arbeidstijd. Executiegeschil. Functiewijziging.

Een werkgever wijzigt de arbeidstijd van de werkneemster (tien jaar in dienst, eerst als telefoniste, later als medewerkster customer support) en ontzegt haar de toegang tot haar werkplek buiten die tijden. De kantonrechter veroordeelt de werkgever tot toelating van de werkneemster tot haar werkplek conform de eerder overeengekomen werktijden op verbeurte van een dwangsom van € 100,-- per dag met een maximum van € 3.000,--. De werkgever wijzigt daarop de functie van de werkneemster van medewerkster in telefoniste en de werkneemster meldt zich ziek. De werkneemster vordert vervolgens betaling van de verbeurde dwangsommen en legt executoriaal derdenbeslag onder de bank. De bank draagt daarop € 2.228,21 af aan de deurwaarder. Vervolgens plaatst de werkgever de werkneemster weer terug in de functie van medewerkster customer support. De werkgever vordert bij voorlopige voorziening restitutie van de afgedragen dwangsom en opheffing van een tweede executoriaal derdenbeslag ten bedrage van € 1.000,--. De werkgever stelt het vonnis van de kantonrechter te zijn nagekomen en bovendien zijn de dwangsommen niet verbeurd omdat de werkneemster zich ziek heeft gemeld. De voorzieningenrechter overweegt dat de kantonrechter de werkgever heeft veroordeeld de werkneemster toe te laten tot haar werkplek. Daarbij heeft de kantonrechter mede bedoeld met behoud van functie. De werkgever is echter onmiddellijk na veroordeling overgegaan tot functiewijziging. Hiermee heeft de werkgever niet aan het vonnis voldaan en dus de dwangsommen verbeurd. Op grond van art. 611a lid 3 Rv kan een dwangsom niet worden verbeurd voor betekening van de uitspraak (in casu 16 mei). Aangezien de werkneemster ziek is geworden op 22 mei zijn er dwangsommen verbeurd vanaf 17 mei tot en met 21 mei (tot € 200,--). De werkneemster stelt dat het op grond van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat haar arbeidsongeschiktheid, gerelateerd aan het niet nakomen van het vonnis, verbeurte van de dwangsommen in de weg staat. De voorzieningenrechter overweegt dat de werkgever iedere dag opnieuw verplicht was de werkneemster toe te laten tot haar werkzaamheden en dat de werkneemster daartoe iedere dag had moeten aandringen. Aangezien de werkneemster door ziekte niet meer tot die aandrang in staat was, konden de dwangsommen niet langer worden verbeurd. Dit zou anders kunnen zijn indien de ziekte direct en uitsluitend het gevolg was van de weigering van de werkgever om aan de veroordeling te voldoen. Een verklaring van de huisarts is echter onvoldoende om zodanig verband aan te nemen. De voorzieningenrechter wijst de vordering toe gecorrigeerd met de verbeurde dwangsom van € 200,-- en veroordeelt de werkneemster tot opheffing van het executoriaal beslag onder verbeurte van een dwangsom van € 50,-- per dag met een maximum van € 1.000,--.

Terug naar overzicht