Vzngr. Rb. Maastricht 31-07-2003 (Lampe), Prg. 2003, 6112, JAR 2003, 206


Staking.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 206.

In Nederland is ongeveer de helft van het totaal aantal werknemers in de ambulancezorg in dienst van gemeenten en de andere helft in dienst van particuliere ambulancediensten. Het personeel in dienst van gemeenten kunnen met 55 jaar met vervroegd pensioen. In de particuliere sector kan dit niet. De werkgeversorganisatie en vakbonden hebben over een verlaging van de pensioenleeftijd in de particuliere sector onderhandeld, maar zijn niet tot een akkoord gekomen. Daarop hebben de bonden hun leden opgeroepen om alleen nog zondagsdiensten te rijden en om een aantal niet spoedeisende activiteiten niet meer te verrichten. De werkgeversorganisatie vordert dat het de vakbonden verboden wordt verdere acties te organiseren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vallen de acties binnen het kader van art. 6 lid 4 ESH en zijn door de vakbonden geen zwaarwegende procedureregels geschonden. De acties zijn vroegtijdig aangekondigd en het is aannemelijk geworden dat tussen partijen met betrekking tot de pensioenproblematiek een patsituatie is ontstaan. De werkgeversorganisatie heeft voorts aangevoerd dat door de acties het risico dat de volksgezondheid in gevaar komt ontoelaatbaar wordt vergroot. De voorzieningenrechter overweegt in dit opzicht dat art. 31 ESH bepaalt dat het recht op collectieve actie wordt begrensd door de beperkingen die bij wet zijn voorgeschreven en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor de bescherming van, onder meer, de volksgezondheid. Deze uitzondering van het recht om collectieve actie te voeren, moet echter beperkt worden uitgelegd. De uitzondering doet zich niet reeds voor wanneer er sprake is van ongemak, maar slechts wanneer patiënten komen bloot te staan aan het gevaar dat zij in hun gezondheid – mogelijk onherstelbare – schade lijden doordat onderzoek en eventuele behandeling te lang uitblijven. Dat dit gevaar bestaat, is in dit kort geding niet voldoende aannemelijk gemaakt. Wel dienen de bonden, op gevaar van in de toekomst alsnog een verbod opgelegd te krijgen, de vinger aan de pols te houden om er voor te zorgen dat de risico's als gevolg van de acties binnen aanvaardbare grenzen blijven. De enkele bereidheid om met de werkgeversorganisatie over veiligheidsaspecten te overleggen, is daarvoor niet voldoende.

Terug naar overzicht