Vzngr. Rb. Rotterdam 06-12-2002 (Zomer), KG 2003, KGK 1656, JAR 2003, 67


Directeur. Kennelijk onredelijk ontslag. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 67.

De werknemer is van mei 1974 tot 1 juli 1999 bij één van de werkmaatschappijen van Cornelder Holding B.V. in dienst geweest. Vanaf 1 september 1996 was hij tevens statutair directeur van Cornelder Holding. Vanaf 1 juni 1999 heeft hij die functie op fulltime basis vervuld. Tevens was hij statutair directeur bij Cornelder Commodities B.V., een onderdeel van de Cornelder groep. Door partijen is sinds december 2000 onderhandeld over een mogelijke management buy out van Cornelder Commodities. Tijdens die onderhandelingen heeft Cornelder Holding de werknemer meegedeeld dat een terugkeer naar zijn oude functie niet tot de mogelijkheden behoorde. Bij brief van 8 november 2001 heeft Cornelder Holding aan de werknemer laten weten dat de management buy out zou worden stopgezet en dat de werknemer terug moest treden als statutair directeur van Cornelder Holding en in dienst moest treden van Cornelder Commodities. Cornelder Holding heeft de werknemer vervolgens een nieuwe arbeidsovereenkomst doen toekomen met daarin een gewijzigde tantième regeling. De werknemer heeft geweigerd deze overeenkomst te ondertekenen. Op 10 januari 2002 heeft de vergadering van aandeelhouders van Cornelder Holding de werknemer ontslagen tegen 1 juni 2002. De werknemer stelt dat dit ontslag kennelijk onredelijk is en vordert in kort geding een voorschot op de schadevergoeding uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag. Cornelder Holding betwist deze verschuldigd te zijn en beroept zich onder meer op verrekening. De voorzieningenrechter wijst dit beroep af als zijnde onvoldoende onderbouwd. Ten aanzien van het beroep op art. 7:681 BW overweegt de voorzieningenrechter dat de werknemer 28 jaar werkzaam is geweest bij Cornelder, de laatste jaren als statutair directeur van Cornelder Holding, en dat er nimmer sprake is geweest van slecht functioneren. De opdracht om bij Cornelder Commodities te gaan werken, kan, nog afgezien van de financiële consequenties daarvan, niet anders gezien worden dan als een degradatie. Immers, als directeur van een werkmaatschappij zou de werknemer moeten rapporteren aan hetzelfde Cornelder Holding waarvan hij voorheen directeur was. De verwijten die Cornelder Holding de werknemer heeft gemaakt ten aanzien van slecht beleid acht de voorzieningenrechter niet terecht. Aannemelijk is daarom dat de bodemrechter zal oordelen dat sprake is van kennelijk onredelijk ontslag. Dat brengt mee, mede gelet op de lengte van het dienstverband, het feit dat de werknemer sinds juni 2002 geen inkomsten meer geniet en zijn voormalig maandinkomen van € 21.428,50, dat toewijzing van het gevraagde voorschot van € 200.000,-- redelijk is te achten.

Verder lezen
Terug naar overzicht