Vzngr. Rb. Rotterdam 22-05-2003 (Rijperman), JAR 2003, 163


Ontbinding gewichtige redenen.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 163.

Per 1 januari 2003 zijn vier centra voor jeugdhulpverlening gefuseerd tot één organisatie. Twee van de vier directeuren van de oude centra zijn de Raad van Bestuur van de nieuwe organisatie gaan vormen. De werknemer en de andere overgebleven directeur zijn boventallig geworden. Met de andere directeur is een afvloeiingsregeling getroffen. Tussen partijen is daarover langdurig onderhandeld. Op 15 januari 2003 heeft de werknemer met een beëindigingsvoorstel van de werkgever ingestemd. Op 14 februari 2003 is één van de twee directeuren die lid was (en voorzitter) van de Raad van Bestuur van de nieuwe organisatie overleden. De werknemer heeft daarop aan de werkgever laten weten dat er een gewijzigde situatie was ontstaan en dat de vacant geworden functie aan hem diende te worden aangeboden. De werkgever heeft aangegeven geen reden te zien om op de beëindigingsovereenkomst terug te komen. De werkgever vordert thans in kort geding veroordeling van de werknemer tot nakoming van de beëindigingsregeling. De voorzieningenrechter stelt vast dat op 15 januari 2003 een beëindigingsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen inhoudende dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 juli 2003 zal worden beëindigd via een pro forma procedure bij de kantonrechter. Uit de beëindigingsovereenkomst blijkt niet dat de werkgever zich jegens de werknemer heeft verplicht om hem een op enig moment na de fusie ontstane of opengevallen, mogelijk voor hem passende, functie aan te bieden. Weliswaar is er in verband met de fusie een sociaal plan vastgesteld, maar partijen twisten erover of dit ook voor de werknemer geldt en bovendien is de functie van algemeen directeur niet een passende functie in de zin van het sociaal plan. Het feit dat de werknemer als directeur van één centrum goed functioneerde, houdt niet automatisch in dat hij ook de aangewezen persoon is om de functie van voorzitter van de Raad van Bestuur van de nieuwe stichting te vervullen. De werkgever heeft er belang bij dat op korte termijn uitvoering wordt gegeven aan de tussen partijen gesloten overeenkomst. De werknemer wordt daarom veroordeeld tot medewerking aan de pro forma procedure bij de kantonrechter. (Zie ook Kantonrechter Rotterdam 23-08-2002, JAR 2002, 218, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2002, blz. 349, Vzngr. Rb. 's-Gravenhage 18-06-2002 en Kantonrechter 's-Gravenhage 27-06-2002, KG 2002, 221, JAR 2002, 244, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2002, blz. 316 en Vzngr. Rb. Utrecht 18-02-2003, KG 2003, 88, JAR 2003, 69).

Terug naar overzicht