Vzngr. Rb. 's-Gravenhage 14-04-2004 (Paris), NJ 2004, 406


Opzegging. Concurrentiebeding. Wijziging arbeidsvoorwaarden. Arbeidstijd. Goed werknemerschap.

De directeur van een kraamzorginstelling, tevens aandeelhouder, en 13 vestigingsmanagers zeggen hun arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op. Alle bij de 13 vestigingen werkzame kraamverzorgenden zeggen eveneens hun arbeidsovereenkomst op met inachtneming van de geldende opzegtermijn. Zij treden vervolgens in dienst bij de door de directeur opgerichte onderneming die eveneens kraamzorgactiviteiten verricht. De werkgever vordert in kort geding staking van de concurrerende werkzaamheden. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen toe en verbiedt de vestigingsmanagers te werken voor de concurrent. Hoewel de arbeidsovereenkomst van de directeur geen concurrentiebeding bevat is er volgens de voorzieningenrechter sprake van onrechtmatig handelen dat in strijd is met zijn verplichting als aandeelhouder om zich te onthouden van concurrerende activiteiten. De werkgever stelt vervolgens de kraamverzorgenden in de gelegenheid terug te keren op hun ontslag onder aanbieding van een nieuw contract met een min/max-bepaling. De vakvereniging vordert thans het aanbieden van een contract zonder min/max-bepaling, stellende dat de opzegging niet door de werkgever is geaccepteerd en dat de kraamverzorgenden, naar aanleiding van de informatie van de vestigingsmanager, ervan uit gingen dat er sprake was van een overgang van onderneming. Het aanbieden van een nieuw contract is volgens de vakvereniging onrechtmatig. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er sprake is van een rechtsgeldige opzegging, die volledig overeenstemde met de wil van de kraamverzorgenden. Dat zij zich wellicht hebben laten misleiden door de vestigingsmanagers kan de werkgever niet worden tegengeworpen. Uit de opzeggingsbrief blijkt van een weloverwogen keuze. De voorzieningenrechter gaat er dan ook van uit dat de kraamverzorgenden door in dienst te treden bij de concurrent, wanprestatie hebben gepleegd en dat zij zich niet als een goed werknemer hebben gedragen. Door hen een nieuw arbeidscontract aan te bieden heeft de werkgever niet onredelijk gehandeld. Bovendien heeft de werkgever de werknemers ruimschoots in de gelegenheid gesteld het contract al dan niet te accepteren. Daarnaast heeft de werkgever de door de kraamverzorgenden verbeurde boetes wegens het overtreden van het concurrentiebeding kwijtgescholden. Het oordeel van de vakvereniging dat de werkgever niet bereid is tot enig overleg is onjuist en onbegrijpelijk. De voorzieningenrechter wijst de vordering af.

Verder lezen
Terug naar overzicht