Vzngr. Rb. Utrecht 11-04-2002 (Brouwer), JAR 2002, 97


Staking (niet onrechtmatig).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 97.

Na afloop van de laatste CAO per 31 december 2001 hebben de werkgevers- en werknemersorganisaties in het openbaar busvervoer onderhandeld over een nieuwe CAO, doch tot nog toe heeft dit geen resultaat opgeleverd. In verband hiermee hebben de CNV en de FNV op 5 april 2002 aangekondigd dat zij actie zullen voeren indien hun eisen niet uiterlijk op 10 april 2002 zijn ingewilligd. Bij brief van 9 april 2002 hebben zij een actie aangekondigd met de naam: Gratis Openbaar Vervoer. In het kader van deze actie hebben de bonden hun leden opgeroepen op 11 en 12 april de controle en verkoop van plaatsbewijzen op te schorten. De werkgevers vorderen dat deze actie per direct wordt stopgezet. De voorzieningenrechter stelt vast dat de actie direct verband houdt met de arbeidsvoorwaarden en als zodanig een actie is die wordt bestreken door art. 6 lid 4 ESH. Het niet controleren en verkopen van vervoersbewijzen behelst feitelijk de weigering van de werknemers om een deel van de op hen rustende arbeidsverplichting te verrichten, zodat een dergelijke actie voorshands kan worden aangemerkt als een gedeeltelijke werkstaking en derhalve gerelateerd is aan het type actie waarop art. 6 lid 4 ESH betrekking heeft. Hieraan doet niet af dat met de bedrijfsmiddelen van de werkgever actie wordt gevoerd, nu een inbreuk op het eigendomsrecht van de werkgever direct of indirect inherent is aan het voeren van collectieve acties. De inbreuk is echter niet zodanig dat het recht op collectieve actie daarvoor moet wijken. De werkgevers hebben verder gesteld dat zij te zwaar financieel worden getroffen door de actie. De rechter is evenwel van oordeel dat, gelet op de korte duur van de actie (twee dagen) en het met de actie beoogde doel, geen sprake is van een onevenredige schade aan de zijde van de werkgevers. De bonden hebben daarom in redelijkheid tot de actie kunnen besluiten.

Terug naar overzicht