Vzngr. Rb. Utrecht 11-04-2003 (Brouwer), KG 2003, 120


CAO. Staking.

Schoonmaakbedrijf Succes c.s. is lid van de overkoepelende werkgeversorganisatie in de schoonmaakbranche, OSB. OSB heeft met de CNV en de FNV onderhandeld over een bedrijfstak-CAO voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf voor het jaar 2003. Het eindbod van OSB is door de CNV aanvaard, maar door de FNV afgewezen. Succes c.s. en de FNV hebben in februari en maart 2003 in het kader van de contractswisseling van de (deel)projecten Nedtrain "Zaanstraat" en "Hoofddorp" onderhandelingen gevoerd. Succes c.s. heeft de bij de contractswisseling betrokken werknemers een arbeidsovereenkomst aangeboden gebaseerd op de met de CNV gesloten bedrijfstak-CAO. De bij de FNV aangesloten werknemers hebben deze overeenkomst onder voorbehoud getekend. De FNV heeft vervolgens, onder verwijzing naar een eerder gesteld ultimatum, bij brief van 28 maart 2003 aangekondigd dat zij actie zou gaan voeren indien Succes c.s. niet alsnog aan haar voorwaarden tegemoet zou komen. Op 1 april 2003 is de FNV overgegaan tot staking bij de deelprojecten "Zaanstraat" en "Hoofddorp". Succes c.s. vordert stopzetting van de staking. Daartoe heeft Succes c.s. met name aangevoerd dat de FNV onrechtmatig handelt door een staking te organiseren terwijl al een bedrijfstak-CAO is gesloten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het toelaatbaar dat, indien een bedrijfstak-CAO niet met alle vakverenigingen is overeengekomen, de vakvereniging waarmee geen overeenstemming is bereikt, nastreeft dat de eisen die niet zijn ingewilligd, alsnog verwezenlijkt zullen worden in een aanvullende CAO met individuele werkgevers. Het moge zo zijn dat collectief onderhandelen op bedrijfstakniveau nuttig en wenselijk is, maar daarmee staat niet vast dat het alleen op die basis behoort te geschieden. De Wet CAO staat niet in de weg aan het komen tot overeenstemming over een aanvulling op de bedrijfstak-CAO. Het feit dat de betrokken werknemers reeds een arbeidsovereenkomst hebben ondertekend in het kader van de contractswisseling brengt niet mee dat geen staking meer kan worden gehouden. Zou dat anders zijn, dan zou door het aangaan van de arbeidsovereenkomst het grondrecht als bedoeld in art. 6 lid 4 ESH buiten werking worden gesteld. Daarmee zou dit recht volledig illusoir zijn. De staking is correct door de FNV aangekondigd en veroorzaakt niet zodanige hinder voor derden dat de staking op die grond verboden zou moeten worden. (Zie evenzo Vzngr. Rb. Utrecht 11-04-2003, JAR 2003, 102).

Terug naar overzicht