Vzngr. Rb. Utrecht 18-02-2003 (Brouwer), KG 2003, 88, JAR 2003, 69


Ontbinding gewichtige redenen. Voorlopige voorziening.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 69.

De werkgever heeft begin 2002 aangegeven de recruitmentactiviteiten die de werknemer en twee collega's verrichtten, te willen beëindigen. Tussen partijen is onderhandeld over een management buy out. Op 22 mei 2002 is een overeenkomst over verzelfstandiging van het management recruitment tot stand gekomen. In de overeenkomst is onder meer bepaald dat, indien de management buy out onverhoopt niet door zou gaan, de arbeidsverhoudingen desondanks per 1 januari 2003 zullen moeten worden beëindigd. In dat geval zal de kantonrechter worden gevraagd de arbeidsovereenkomsten te ontbinden zonder toekenning van een vergoeding. In oktober 2002 heeft de werknemer aangegeven de voorgenomen management buy out niet te willen voortzetten. De werkgever heeft vervolgens een concept pro forma verzoekschrift voor de ontbinding laten opstellen met het verzoek aan de werknemer een pro forma verweerschrift te laten opstellen. De werknemer heeft niet aan dat verzoek voldaan. De werkgever vordert thans dat de werknemer veroordeeld wordt om de beëindigingsovereenkomst na te komen. De werknemer stelt dat de verplichting om mee te werken aan de pro forma ontbinding nietig is. De voorzieningenrechter stelt vast dat de tussen partijen gemaakte afspraak omtrent de wijze waarop het dienstverband zal worden beëindigd, de mogelijkheid uitsluit dat de werknemer verweer kan voeren dan wel argumenten kan aanvoeren die betrekking hebben op, dan wel gelegen zijn in onvoorziene feiten of omstandigheden die zijn ontstaan ná het moment waarop de afspraak is gemaakt. Onverkorte handhaving van het beding betekent daarom dat de werknemer zich contractueel zou hebben verplicht om ook geen verweer te voeren aan de hand van de wijze waarop de werkgever uitvoering heeft gegeven aan de overeenkomst, ook niet indien de werkgever zelf de verplichtingen uit de overeenkomst niet correct zou zijn nagekomen. Gelet op de strekking van art. 7:685 BW moet geoordeeld worden dat een dergelijk beding nietig is. Het beding beperkt de werknemer in de mogelijkheid om inhoudelijk verweer te voeren en doet daarmee afbreuk aan het beschermingskarakter van het ontslagrecht. De veroordeling tot nakoming kan daarom niet worden toegewezen.

Terug naar overzicht