Vzngr. Rb. Utrecht 24-05-2002 (Brouwer), KG 2002, 182


Competentie. Concurrentiebeding (franchiseovereenkomst).

Bruna komt als franchisegever een franchiseovereenkomst overeen. Daarbij wordt het de franchisenemer verboden zonder toestemming van de franchisegever binnen één jaar na einde van de franchiseovereenkomst concurrerende werkzaamheden te verrichten. Bij weigering van de toestemming kan de franchisenemer zich tot een arbiter wenden. Beroep op de gewone rechter is in dat geval uitgesloten. De franchisenemer zegt na drie jaar de franchiseovereenkomst op en begint in hetzelfde pand een boek-/kantoorboekhandel. De franchisegever vordert in kort geding staking van de exploitatie. De ex-franchisenemer beroept zich op onbevoegdheid van de voorzieningenrechter omdat de weg van arbitrage gevolgd dient te worden. Volgens de voorzieningenrechter is het bepaalde inzake de arbitrage van toepassing indien de franchisegever "geen toestemming geeft aan de franchisenemer om binnen één jaar betrokken te zijn bij een onderneming of organisatie die geacht kan worden een concurrent te zijn van de Bruna-organisatie". De ex-franchisenemer heeft echter geen toestemming gevraagd en dus is het artikel in dit geval niet van toepassing en is de voorzieningenrechter bevoegd. Met betrekking tot de spoedeisendheid van de vordering stelt de voorzieningenrechter vast dat de franchisegever met een bodemprocedure het grote risico loopt gedurende die procedure klanten en goodwill te verliezen aan de boekhandel van de ex-franchisenemer, die bovendien op de hoogte is van de prijsstelling en de marketing van de Bruna-organisatie. De franchisegever heeft dan ook een spoedeisend belang. Tevens is de voorzieningenrechter van oordeel dat de onderneming van de ex-franchisenemer wel degelijk concurrerend is met de Bruna-organisatie, ondanks dat deze organisatie niet rechtstreeks aan het publiek verkoopt. Het concurrentiebeding is namelijk niet beperkt tot de franchisegever zelf, maar heeft ook betrekking op de concurrentie jegens de ondernemingen die al dan niet op franchisebasis gebruikmaken van de Bruna-formule. De voorzieningenrechter concludeert dat de ex-franchisenemer handelt in strijd met het concurrentiebeding en wijst de vordering toe.

Terug naar overzicht