Nederland had de afgelopen zomer te maken met ingrijpende droogte, met grote gevolgen voor landbouw, natuur en drinkwatervoorziening. Boeren konden hun gewassen minder besproeien, de brandweer moest vaker uitrukken voor bosbranden en grondwaterstanden daalden tot zorgwekkende diepten. In deze blog bespreek ik een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 juli 2026 over een watervergunning voor het onttrekken van 6,5 miljoen m³ grondwater per jaar ten behoeve van de drinkwatervoorziening (ECLI:NL:RBNNE:2026:3071). In de uitspraak komt onder meer de vraag naar voren of het bestuursorgaan (het risico op) droogteschade als gevolg van de onttrekkingsvergunning moet meewegen bij de beoordeling van de vergunning? In een tijd van steeds vaker voorkomende droogte verdient die vraag bijzondere aandacht.
De watervergunning
De zaak draait om een door Vitens in 2022 aangevraagde watervergunning om jaarlijks 6,5 miljoen m³ grondwater te onttrekken voor de drinkwatervoorziening. Deze vergunning is in 2023 verleend door gedeputeerde staten van de provincie Friesland (verder te noemen: ‘de provincie’). Verschillende belanghebbenden konden zich niet verenigen met de watervergunning en zijn daarom naar de bestuursrechter gestapt. Eén van de belanghebbenden is een agrariër met percelen rondom het onttrekkingsgebied.
Droogteschade
Een van de beroepsgronden die de agrariër tegen de watervergunning heeft aangevoerd, is zijn vrees voor droogteschade als gevolg van de grondwateronttrekking. Mede door de recente droge periode leeft bij een agrariër de angst voor opbrengstderving. Volgens de agrariër valt dit nadeel buiten de schadevergoedingsregeling van artikel 7.18, tweede lid, Waterwet (oud) (thans: artikel 15.16 Omgevingswet), en had de provincie hieraan in de vergunningprocedure meer gewicht moeten toekennen.
De provincie erkent weliswaar dat grondwateronttrekking tot schade aan landbouwgewassen kán leiden, maar wijst erop dat die schade op de veroorzaker kan worden verhaald via de daarvoor bestaande bijzondere schaderegelingen. Daarbij wordt de onafhankelijke Advies Commissie Schade Grondwater (ACSG) genoemd, en tegen een naar de mening van een gedupeerde te laag vastgestelde schadevergoeding staat beroep open. Voor de gevreesde droogval van broninstallaties ziet het de provincie overigens geen reëel risico: de bronnen liggen op minimaal zes meter onder het maaiveld.
Wat vindt de rechtbank?
De rechtbank volgt de lijn van de provincie en oordeelt dat met de mogelijke droogteschade voldoende rekening is gehouden. Interessant, en voor de praktijk relevant, is met name de reden die de rechtbank daarvoor geeft: de agrariër heeft zijn schade niet (voldoende) gespecificeerd en onderbouwd. Door te spreken van “nat- en/of droogteschade” laat hij bewust of onbewust in het midden of het nu om het een of het ander gaat, waardoor de aard en omvang van de gestelde schade onduidelijk blijven. Hoewel het in deze zaak voor de agrariër door de ontbrekende onderbouwing ongunstig afloopt, lees ik de overweging van de rechtbank zo dat er wél ruimte is om te betogen dat mogelijke droogteschade bij de vergunningverlening moet worden betrokken, mits die schade voldoende wordt onderbouwd.
Dat er in dit kader voor het bestuursorgaan een motiveringsplicht kan bestaan, is dus niet uitgesloten. Wel geldt dat aan die motiveringsplicht in beginsel is voldaan als de overheid kan aantonen dat deugdelijk onderzoek is verricht naar de schademogelijkheden, óf dat schade via een andere route gecompenseerd kan worden. Dat is ook wat de rechtbank in deze zaak aanneemt. Een ontwikkeling om in de gaten te houden.
Mr. T. (Tony) Barshini, advocaat bij Pot Jonker Advocaten
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Tony Barshini (tel. +31639320125; barshini@potjonker.nl) of één van de andere advocaten van de sectie Bestuurs- en Overheidsrecht van Pot Jonker Advocaten.