Swipe to the left

591a na 552a: vergoeding van kosten na een beslagprocedure

Print
591a na 552a: vergoeding van kosten na een beslagprocedure
By 27 november 2017 15143 keer bekeken 1 comment

Nadat de beklagrechter van de Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem het beklag gericht tegen de voortduring van inbeslagname van de hond van cliënte gegrond verklaarde en de hond dus werd teruggegeven, diende ik namens cliënte een verzoek in tot vergoeding van de kosten die zij in verband met die procedure had moeten maken. Kosten voor het opstellen van een deskundigenrapport, op de voet van artikel 591 Sv en kosten voor mijn bijstand, op grond van artikel 591a Sv. Het verzoekschrift zou op zitting worden behandeld.

Ik verwachtte een inhoudelijke discussie, bijvoorbeeld over de hoogte van de kosten en de vraag of de kosten van training van de hond als kosten in het belang van het onderzoek aangemerkt zouden kunnen worden. Tot mijn verbazing was het standpunt van het OM echter dat ik, in ieder geval voor de kosten op grond van artikel 591a, niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden, omdat cliënte nog steeds verdachte is en de hoofdzaak niet is geëindigd. Uit telefonisch onderhoud met de griffier van de raadkamer bleek bovendien dat ook de raadkamer van de rechtbank die mening toegedaan is. Op voorhand werd mij al te kennen gegeven dat vaste jurisprudentie van die rechtbank is dat voor vergoeding van kosten op basis van zowel 591 en 591a Sv na een procedure op de voet van 552a Sv geen ruimte zou zijn, als de klager zelf ook (nog) verdachte is, van een einde van de zaak zou dan geen sprake zijn. Daartoe werd onder meer gewezen op een arrest van de Hoge Raad uit 2015 (HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2757, NJ 2016/6 m. nt. Rijntjes).

De zitting in raadkamer naar aanleiding van mijn verzoekschriften heeft inmiddels plaatsgevonden, uitspraak op het verzoek moet nog volgen. De opstelling van de rechtbank zoals door de griffier op voorhand kenbaar gemaakt, verbaasde mij echter dermate, dat ik daarin aanleiding zag dit blog aan dit onderwerp te wijden. Het uitgangspunt van de rechtbank Haarlem, dat ik overigens ook in ieder geval een beschikking van één andere Rechtbank ben tegengekomen (zie Rb Overijssel, 10 februari 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:450), is bij mijn weten namelijk gewoonweg en evident onjuist.

Artikel 591 Sv bepaalt in lid 5 expliciet dat de schadevergoedingsregeling ook van toepassing is op procedures ex 552a Sv. In artikel 591a Sv is in lid 4 opgenomen dat het bepaalde in dit vijfde lid van artikel 591 van overeenkomstige toepassing is. Met andere woorden, voor zowel 591 als 591a Sv geldt dat die beide artikelen van toepassing zijn op procedures over beslag.

In Sdu commentaar Strafvordering met betrekking tot artikel 591a Sv, is daarover het volgende opgenomen:

Nu artikel 591 lid 2 t/m 5 Sv van overeenkomstige toepassing is verklaard, is de daar genoemde beklagprocedure op de voet van artikel 552a Sv te beschouwen als ‘zaak’; indien het beklag gegrond is verklaard, is verzoeker ontvankelijk in zijn verzoek.” (Sdu Commentaar op Wetboek van Strafvordering art. 591a, aant. C.1). Over het einde van de zaak wordt dan nog specifiek opgemerkt: “Als het verzoek ziet op vergoeding van proceskosten, gemaakt in het kader van de behandeling van klaagschriften, moet voor ‘het eindigen van de zaak’ worden gelezen ‘de (onherroepelijke) beschikking op de in artikel 552a-552b Sv bedoelde klaagschriften’” (Sdu Commentaar op Wetboek van Strafvordering art. 591a, aant. C.2).

Daaruit blijkt eens temeer dat deze beide procedures, 591 en 591a, niet enkel gelden voor de gewezen verdachte, de beklagprocedure wordt als een aparte zaak gezien, los van de uitkomst van de hoofdzaak. Als in de beklagprocedure een gegrondverklaring volgt, komen de kosten raadsman dan ook voor vergoeding in aanmerking. Een en ander volgt overigens ook uit een uitspraak van de Hoge Raad uit 2009, waar de Hoge Raad overwoog dat het vierde en vijfde lid van artikel 591 en het tweede en vijfde lid van 591a Sv in de mogelijkheid voorzien van vergoeding van de kosten van raadsman in de beklagprocedure. Een dergelijk verzoek kan binnen drie maanden na het eindigen van de zaak worden ingediend, ingevolge 591 lid 2 Sv, dat op 591a van overeenkomstige toepassing is. “Onder het eindigen van de zaak dient in dit verband te worden verstaan het onherroepelijk worden van de beslissing op het op de voet van art. 552a Sv ingediende klaagschrift”, aldus de Hoge Raad (HR 3 februari 2009, LJN BG2191).

Ik moet overigens opmerken dat dit ook tot consequentie heeft dat de verdediging bij een ongegrond klaagschrift en een latere vrijspraak in de hoofdzaak, geen recht heeft op vergoeding van kosten die verband houden met de klaagschriftprocedure. Deze wordt immers als een aparte procedure gezien. Dit is vaste rechtspraak binnen alle rechtbanken waar ik regelmatig dergelijke klaagschriftprocedures voer. Als in dat verband in de 591a procedure na een vrijspraak in de strafzaak, vergoeding van kosten wordt verzocht die verband houden met de op grond van 552a Sv gevoerde procedure, wordt tegengeworpen dat daarvoor apart een verzoekschrift had moeten worden ingediend. Dat is dus ook in lijn met de wet en met de jurisprudentie van de Hoge Raad als hiervoor aangehaald.

Het genoemde arrest van de Hoge Raad van 22 september 2015 waar de griffier van de rechtbank mij op wees, noopt niet tot een ander standpunt. Dat arrest is tot stand gekomen naar aanleiding van een cassatie in het belang der wet. Verzoeker was niet-ontvankelijk verklaard in diens verzoekschrift 591a Sv, na een gegrond verklaarde klaagschriftprocedure inhouding rijbewijs (164 lid 9 WVW 1994). Die procedure is niet expliciet genoemd in 591 lid 5 Sv. De Hoge Raad heeft met dit arrest geoordeeld dat er geen aanleiding is om 591 en 591a Sv op een dergelijk klaagschrift rijbewijs van overeenkomstige toepassing te verklaren.

De Hoge Raad benadrukt in het arrest overigens nogmaals dat de wet de mogelijkheid biedt om na een 552a-procedure apart om vergoeding te verzoeken. Daaruit volgt mijns inziens eens temeer dat die procedure in die zin los staat van de hoofdzaak of de uitkomst daarvan.

In dat verband kan ook nog worden gewezen op een beschikking van de Raadkamer van de Rechtbank Overijssel, uit april dit jaar. In die zaak werd tot een niet-ontvankelijkheid gekomen omdat het klaagschrift slechts gedeeltelijk gegrond was verklaard. De raadkamer overwoog daaraan voorafgaand:

Art. 591a, vierde lid, Sv verklaart onder meer het bepaalde in art. 591, vijfde lid, Sv van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat de bepalingen ten aanzien van de vergoeding van kosten tevens van toepassing zijn op een aantal met name genoemde procedures. Daarbij gaat het onder andere om de behandeling van klaagschriften als bedoeld in de artikelen 552a tot en met 552b Sv (…). Uit de opsomming van de procedures die van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, wordt duidelijk dat de afloop van de strafzaak in dit kader, anders dan in art. 591a, tweede lid, Sv, geen voorwaarde is voor de toekenning van een vergoeding. (…) De in art. 591a, tweede lid, Sv neergelegde voorwaarde dat de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr, moet in die gevallen worden bezien in het licht van de voor de verzoeker gunstige afloop van de desbetreffende procedure, bijvoorbeeld het gegrond verklaren van het klaagschrift. In zoverre wordt de regeling van art. 591, vijfde lid, Sv wel als een zelfstandige regeling gezien die los staat van de vergoedingsregeling die rechtstreeks is gerelateerd aan de strafzaak als zodanig.” (Rb Overijssel 19 april 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:2235).

Ook hieruit blijkt dus eens temeer dat een 552a Sv-procedure als een aparte zaak wordt gezien. Het einde van de zaak is dan de uitspraak op het klaagschrift, binnen drie maanden daarna moet een schadevergoedingsverzoek worden ingediend. Inderdaad is het zo dat voor vergoeding in de regel slechts aanleiding zal zijn indien het klaagschrift gegrond verklaard is, waar het de kosten op grond van 591a Sv betreft. Voor 591 Sv geldt ook in deze procedure slechts de eis dat de kosten in het belang van het onderzoek zijn geweest.

Kortom, de stelling dat met een kostenverzoek zou moeten worden gewacht tot de hoofdzaak is afgedaan of tot de verzoeker verdachte af is, is volgens mij gewoonweg in strijd met de letterlijke tekst van de wet en de uitleg die daar door de Hoge Raad aan wordt gegeven. Met de gegrondverklaring van een klaagschrift, is die zaak geëindigd en kan apart om vergoeding van kosten worden verzocht, de uitkomst van de hoofdzaak staat daar volledig los van. Ik ben dan ook benieuwd hoe de beschikking van de Rechtbank Haarlem zal luiden, als de raadkamer bij de niet-ontvankelijkheid blijft, ben ik vooral benieuwd hoe men dat, gelet op bovenstaande, zal motiveren.

Posted in: Strafrecht
J. Biemond 3 september 2018 at 15:12
Het Hof Amsterdam - appelrechter van 'Haarlem' - denkt er heel anders over, weet ik uit ervaring.