Schaf de informatiebeschikking af

Schaf de informatiebeschikking af
8 juni 2020 238 keer bekeken

Tijdens het wetgevingsproces van het wetsvoorstel Dezentjé dat uiteindelijk leidde tot de introductie van de informatiebeschikking in het fiscale procesrecht werd reeds toegezegd dat er een evaluatie van de wet zou komen. Naar aanleiding van de evaluatie van vier jaren jurisprudentie omtrent de Wet Dezentjé kwam de staatssecretaris met een aantal voornemens tot wijziging van de wet. Deze bijdrage staat in het teken van de vraag of de aangedragen oplossingen wel nodig zijn wanneer de aanleiding van de knelpunten nader wordt beoordeeld. De vraag die daarbij wordt beantwoord, is of de omkering en verzwaring van de bewijslast wel in de huidige vorm dient te blijven bestaan.

Evaluatie Wet Dezentjé en voorgestelde aanpassingen

Bij het stapelen van procedures heeft niemand belang. Daarvan is echter bij een informatiebeschikking en een aanslag bijna altijd sprake. Een informatiebeschikking zonder daaropvolgende aanslag komt zelden tot nooit voor. Daar komt bij dat de belastingplichtige zich veelal verplicht voelt rechtsmiddelen aan te wenden tegen de informatiebeschikking omdat daaraan de omkering en verzwaring van de bewijslast verbonden is. Daaraan doet niet af dat de Hoge Raad in zijn arrest van 10 februari 2017 (nr. 16/02729, r.o. 3.3.3 (NTFR 2017/422)) oordeelde ‘dat de vraag of de omkering van de bewijslast op haar plaats is ook (en eventueel opnieuw) aan de orde kan worden gesteld in de procedure over een belastingaanslag of beschikking die is opgelegd of gegeven nadat een op die aanslag of beschikking betrekking hebbende informatiebeschikking onherroepelijk is geworden’.
Van vele jaren procederen is gegarandeerd sprake als er (eerst) een informatiebeschikking wordt opgelegd en nadien een aanslag volgt. De staatssecretaris beschrijft de termijn als volgt: ‘Twee volledige opeenvolgende procedures brengen het risico op een totale doorlooptijd van twaalf jaar of meer voordat een belastingaanslag onherroepelijk vaststaat met zich.’
De staatsecretaris heeft in bovenvermeld Kamerstuk een aantal gedachten geformuleerd om het knelpunt van de langdurige fiscale procedures in te perken. De ideeën zijn echter halfslachtig omdat deze geen echte oplossingen voor de langdurigheid van de procedures zullen creëren. De eerste gedachte is om nog slechts één feitenrechter (te weten de Belastingkamer van de hoven) en de Hoge Raad de zaak te laten behandelen. Uiteraard zal dat de lengte van de procedures enigszins beperken, maar of de verkorting van twaalf jaar of meer naar tien jaren tegemoetkomt aan het gevoelde knelpunt, waag ik te betwijfelen. Een andere door de staatssecretaris aangedragen oplossing zou zijn om de beroepsgronden te beperken tot de vraag omtrent de rechtmatigheid van de vragen van de inspecteur. Deze beperking komt er met name op neer dat in de procedure tegen de informatiebeschikking dan niet meer aan de orde komt of de veronderstelde schending van de informatieverplichting voor de belastingplichtige leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast. De tijdwinst die met deze beperking van de informatiebeschikkingsprocedure wordt gerealiseerd, komt volgens mij dicht bij nul. Deze ‘maatregel’ heeft immers louter effect op de inhoud en de omvang van de procedure, terwijl het tijdsverloop wordt veroorzaakt door het gebrek aan zittingscapaciteit.
Daarbij komt dat de vaststelling van de gevolgen van de schending ook thans wordt doorgeschoven naar de procedure tegen de aanslag
De staatssecretaris gaat niet in op de suggesties die ‘uit het veld’ zijn gedaan. Zo valt in het evaluatierapport te lezen: ‘Belastingplichtigen begrijpen volgens ambtenaren, fiscaal adviseurs en fiscaal advocaten doorgaans niet waarom er een aparte informatiebeschikkingsprocedure is die tijd, geld en moeite kost en voorafgaat aan de inhoudelijke behandeling van het geschil. Vooral MKB-ondernemers zouden volgens hen graag snel een totaaloplossing willen voor het geschil.’

De oplossing die de Commissie Wetsvoorstellen van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs op de Evaluatie van de Wet-Dezentjé voorstelt, sluit daarbij aan:
‘In de wet een gezamenlijke behandeling van de informatiebeschikking en de aanslag waarop deze betrekking heeft borgen, zodat als de informatiebeschikking in stand blijft, maar belastingplichtige een mogelijkheid wordt geboden deze alsnog aan te leveren, de rechter die informatie meteen kan meewegen in het oordeel over de in geding zijnde aanslag.’

In het evaluatierapport (p. 104) wordt erop gewezen dat dit voorstel nog het bijkomende voordeel heeft dat traineren niet meer mogelijk is en dat er ook geen onzekerheid meer bestaat over de vraag in welke procedure wordt beslist of de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard of niet.
Als de informatiebeschikking en de aanslag gezamenlijk zouden worden behandeld door de rechter, rijst de vraag of de informatiebeschikking als separate beschikking nog wel toegevoegde waarde heeft. Als de rechter die over de aanslag oordeelt de ruimte vindt om in een soort (voorlopige) tussenbeslissing duidelijk te maken aan de belastingplichtige dat eerder door de inspecteur verlangde bescheiden aan hem ter beschikking hadden dienen te worden gesteld en dat hij alsnog een laatste kans krijgt deze aan het procesdossier toe te voegen, komt het belang bij een separate informatiebeschikking(sprocedure) te vervallen. Dan wordt immers in het kader van de processuele sanctie van de omkering en verzwaring van de bewijslast, de gewenste rechtsbescherming geboden. Principiëler is echter nog de vraag of deze processuele sanctie gehandhaafd dient te worden. Is dat niet het geval, dan behoeft daarvoor ook geen rechtsbescherming te worden geboden in de vorm van een informatiebeschikkingsprocedure.

Dit is het eerste deel van een NTFR Opinie geschreven door prof.mr. G.J.M.E. de Bont. De volledige opinie kunt u hier inzien. Deze Opinie is opgenomen in NTFR nummer 17 van 23 april 2020 (NTFR 2020/1116).