Artikel 2.5.4.1.1, een gemiste kans tijdens het derde congres modernisering strafvordering

Loading...
Artikel 2.5.4.1.1, een gemiste kans tijdens het derde congres modernisering strafvordering
25 september 2017 5422 keer bekeken

Op donderdag 14 september 2017 was ik aanwezig bij het derde congres modernisering strafvordering, in de Fokker Terminal te Den Haag. Op het programma stond onder andere de bespreking van de uitkomsten van de consultatie van de boeken 1 en 2 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Daartoe werd onder meer een plenaire discussie gevoerd met vertegenwoordigers van organisaties die over deze boeken een advies hadden uitgebracht. Tijdens die discussie passeerden verschillende onderwerpen de revue, zo ook het voorgestelde artikel 2.5.4.1.1 Sv. In lid 2 van dat voorgestelde artikel is opgenomen dat een bevel tot voorlopige hechtenis achterwege blijft indien het daarmee nagestreefde doel ook door middel van een bevel tot voorlopige vrijheidsbeperking kan worden verwezenlijkt. De schorsing krijgt dus een nieuwe naam. Bovendien wordt gecodificeerd en geëxpliciteerd dat naar alternatieven voor voorlopige hechtenis gekeken moet worden.

Mijn hoop was dan ook gevestigd op de vertegenwoordiger van de Nederlandse Orde van Advocaten

Drie van de vier organisaties waren tegenstander van de voorgestelde bepaling
Tot mijn verbazing waren drie van de vier organisaties die op het podium werden vertegenwoordigd tegenstander van deze bepaling. De korpschef van de politie zag geen heil in deze bepaling omdat voorlopige hechtenis zeker niet te veel zou worden toegepast, de vertegenwoordiger van het College van procureurs-generaal sloot zich daarbij aan. Ook werd genoemd dat voorlopige hechtenis een belangrijk instrument is. Ook werd nog gesteld dat er geen reden is om het uitgangspunt, dat enkel tot schorsing wordt overgegaan indien blijkt van zwaarwegende belangen aan de zijde van de verdachte, te verlaten. De vertegenwoordiger van de Raad voor de Rechtspraak merkte zelfs op dat er ten aanzien van de huidige praktijk bij de toepassing van de voorlopige hechtenis geen problemen rijzen en dat het dus overbodig zou zijn deze regeling nu, in het kader van de modernisering, aan te pakken, hij stelde dat we ons op de echte knelpunten moeten focussen.

Ik kan echter niet anders concluderen dan dat diens reactie ronduit teleurstellend was

Mijn hoop was dan ook gevestigd op de vertegenwoordiger van de Nederlandse Orde van Advocaten, die tegen deze opmerkingen toch zeker het nodige in te brengen zou hebben. Ik kan echter niet anders concluderen dan dat diens reactie ronduit teleurstellend was. In plaats van op de inhoud in te gaan, werd volstaan met de algemene opmerking dat in het kader van de modernisering en om te komen tot een toekomstbestendig wetboek, alle onderwerpen moesten worden aangepakt, niet alleen de knelpunten. Als gezegd een teleurstellende reactie, maar bovenal een gemiste kans de genoemde argumenten inhoudelijk te pareren, hetgeen eenvoudig had gekund.

Alternatieven voor voorlopige hechtenis worden te weinig onderzocht en toegepast

Zo had ten aanzien van de stelling dat er geen problemen met de huidige regeling zijn, verwezen kunnen worden naar het rapport van het College Voor de Rechten van de Mens van maart dit jaar, waaruit in de eerste plaats blijkt dat voorlopige hechtenis vaak onvoldoende wordt gemotiveerd en waaruit bovendien blijkt dat alternatieven voor voorlopige hechtenis te weinig worden onderzocht en toegepast. Op dit punt dus een gemiste kans.

Schorsing van de voorlopige hechtenis
Belangrijker is echter nog dat de drie sprekers die tegen het voorgestelde artikel bleken, allen al dan niet impliciet uit leken te gaan van de veronderstelling dat schorsing van de voorlopige hechtenis enkel aan de orde kan zijn bij zwaarwegende belangen aan de zijde van de verdachte, die zwaarder wegen dat het belang de verdachte vast te houden. Indien van ernstige bezwaren en gronden sprake is, zou dan in principe voorlopige hechtenis aangewezen zijn, tenzij zwaarwegende belangen tot schorsing nopen. Zij meenden aldus kennelijk dat het voorgestelde artikel een wijziging van inzicht oplevert en dat van een ‘ja, tenzij’, naar ‘nee, tenzij’ wordt gegaan. Op dit punt is de kans gemist die sprekers uit te leggen dat zij kennelijk gewoonweg van een onjuiste rechtsopvatting uitgaan. Hetgeen overigens, vooral nu het OM en de Rechtspraak op dat podium vertegenwoordigd waren, kwalijk mag heten.

De bezwaren tegen het nieuwe artikel 2.5.4.1.1 zijn op een onjuist uitgangspunt gestoeld en gaan dus van een onjuiste toepassing van voorlopige hechtenis en schorsing uit

Vastleggen dat schorsing, of onder het nieuwe wetboek een bevel vrijheidsbeperking, het uitgangspunt is, ook als ernstige bezwaren en gronden aanwezig worden geacht, is niets meer en niets minder dan een duidelijke codificatie van de subsidiariteitseis die ten aanzien van de toepassing van voorlopige hechtenis ook nu al heeft te gelden. Het uitgangspunt dat verdachten hun proces in vrijheid afwachten tenzij met niets anders dan hechtenis kan worden volstaan, volgt rechtstreeks uit artikel 5 EVRM. Ook noemenswaardig in dat verband is het zogenaamde ‘groenboek’ van de Europese Commissie over alternatieven voor voorlopige hechtenis, waarin nogmaals wordt benadrukt dat voorlopige hechtenis enkel mag worden toegepast wanneer alle andere maatregelen niet toereikend geacht kunnen worden (COM(2011)327, zie: https://www.eumonitor.nl/9353000/1/j9vvik7m1c3gyxp/viq75sa766yv). Dat uitgangspunt brengt ook met zich mee dat, zelfs indien van ernstige bezwaren en gronden sprake is, schorsing van de voorlopige hechtenis de voorkeur verdient, ook indien van bijzondere persoonlijke omstandigheden geen sprake is. De vraag of iemand geschorst dient te worden, dient dan ook, ook nu al, bezien te worden vanuit het uitgangspunt “ja, tenzij..”. Met andere woorden, als eventuele gronden net zo goed met een schorsing beschermd kunnen worden en hechtenis dus niet strikt noodzakelijk is, heeft een schorsing de voorkeur. Mijns inziens zouden de verschillende procesdeelnemers deze codificatie dan ook alleen maar moeten toejuichen, omdat dat al geldende uitgangspunt duidelijk in de wet wordt opgenomen. De bezwaren tegen het nieuwe artikel 2.5.4.1.1 zijn op een onjuist uitgangspunt gestoeld en gaan dus van een onjuiste toepassing van voorlopige hechtenis en schorsing uit.

Maar ook om de vertegenwoordigers van de belangrijkste procesdeelnemers in de strafpraktijk ervan te doordringen dat ook nu al te allen tijde het uitgangspunt dient te zijn dat een verdachte zijn proces in vrijheid afwacht

Gemiste kans
Het is zoals gezegd, wat mij betreft, een gemiste kans dat dit tijdens het congres niet naar voren is gebracht. Niet alleen zodat dit in de verdere discussie over het nieuwe wetboek meegenomen kan worden, maar ook om de vertegenwoordigers van de belangrijkste procesdeelnemers in de strafpraktijk ervan te doordringen dat ook nu al te allen tijde het uitgangspunt dient te zijn dat een verdachte zijn proces in vrijheid afwacht. Dat een verdachte dus geschorst dient te worden, ook al heeft die verdachte geen werk en geen gezin, als de aanwezige gronden ook met een schorsing kunnen worden ondervangen.


Opmerkingen