Beperkt eer gij bemint

Beperkt eer gij bemint
27 augustus 2019 719 keer bekeken

Het is duidelijk dat het instellen van een rechtsmiddel veelal niet zonder gevaar is. Zeker in hoger beroep kan de uitslag voor de appellerende partij ook slechter uitvallen, ondanks de hoop op en inspanningen voor een gunstigere uitslag. Het strafprocesrecht geeft voor hoger beroep en cassatie wel enige mogelijkheden om de kans op een ongunstigere uitkomst danig te beperken. In cassatie kan dat op de voet van art. 429 Sv en kan zelfs binnen één ten laste gelegd feit een positieve beslissing buiten het bereik van de Hoge Raad worden gehouden. In hoger beroep is die manoeuvreerruimte beperkter, maar zeker wel aanwezig (zie art. 407 Sv).

In art. 404 Sv wordt bepaald dat de verdachte geen hoger beroep kan instellen tegen feit als hij van de gehele ‘telastlegging’ is vrijgesproken. Stelt hij toch (onbeperkt) hoger beroep in, dan wordt hij voor in ieder geval dat feit niet-ontvankelijk verklaard door het hof. So far so good. Het wordt ingewikkelder als bijvoorbeeld een ontslag van alle rechtsvervolging volgt door een geslaagd beroep op noodweer, zoals in HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1162 het geval was. In die zaak was de verdachte door de rechtbank vrijgesproken van feit 1, ontslagen van alle rechtsvervolging voor feit 2 en veroordeeld voor feit 3, maar met toepassing van art. 9a Sr werd hem geen sanctie opgelegd.

Vervolgens werd met de volgende tekst de volmacht afgegeven aan de griffier van de rechtbank: ‘Daartoe bepaaldelijk door cliënt gevolmachtigd, geef ik hierbij een schriftelijke bijzondere volmacht aan u, griffiemedewerker, om namens cliënt hoger beroep in te stellen omdat hij het niet eens is met de bewezenverklaring van feit 3 op de dagvaarding. Cliënt is het principieel niet eens met deze uitspraak omdat hij het feit ten stelligste ontkent. Hij zou nooit en te nimmer dergelijke bewoordingen gebruiken. Cliënt voelt zich zeer gekrenkt door de aanname dat hij dergelijke taal heeft gebezigd.’

Nog los van het feit dat de volmacht niet een verkapte appelschriftuur is (het zal de griffie jeuken waarom hoger beroep wordt ingesteld), is op deze wijze onbeperkt hoger beroep ingesteld. Het hof, dat van de Hoge Raad veel ruimte krijgt om hierover te beslissen, overweegt dat ook. De akte is in deze leidend en het appel is nadien ook niet partieel ingetrokken. Het hof heeft de verdachte vervolgens niet-ontvankelijk verklaard in het appel voor zover het feit 1 betrof (hoger beroep stond namelijk niet open) en heeft niet alleen feit 3 behandeld, maar ook feit 2. Het beroep op noodweer voor het tweede feit haalde het bij het hof niet en een taakstraf van vijftig uur voor beide feiten volgde. Dit alles kreeg de zegen van de Hoge Raad.

Het is ongetwijfeld de bedoeling geweest om alleen het derde feit aan het hof voor te leggen en de gunstige beslissingen ten aanzien van de eerste twee feiten onherroepelijk te laten worden. Dat had ook gekund, als het hoger beroep expliciet beperkt was tot dat derde feit (al dan niet door intrekking van het beroep voor zover het het tweede feit betrof; voor feit 1 was dat ook mogelijk, maar zoals gezegd op zich niet nodig). Een ontslag van alle rechtsvervolging is immers geen vrijspraak en de tekst van art. 404 leden 1 en 5 is helder.

Deze uitspraak toont maar weer aan dat de appellerende partij bij het instellen goed moet bedenken waartegen het beroep zich richt. Pas bij de appelschriftuur en(/of) ter zitting komt het waarom aan de orde.

Opmerkingen