Swipe to the left

“Bijzondere” bevoegdheid OM tot wijziging tenlastelegging

Print
“Bijzondere” bevoegdheid OM tot wijziging tenlastelegging
By 8 november 2018 961 keer bekeken Geen opmerkingen

Afgelopen week werd ik kort voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling geconfronteerd met een wijziging tenlastelegging ex. 314a Sv, waarbij de wijziging van de tenlastelegging bestond uit het toevoegen van twee geheel nieuwe feiten aan drie reeds ten laste gelegde feiten. Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling waren al twee pro-formazittingen vooraf gegaan en bovendien was het eindproces-verbaal reeds voorafgaand aan de eerste pro-forma zitting gereed. De zaak kon niet eerder behandeld worden nu werd gewacht op de afronding van het pro-justitia onderzoek. Dit riep bij mij de vraag op hoe art. 313 Sv en 314a Sv zich tot elkaar verhouden, en wanneer nog gesproken kan worden van een voorlopige tenlastelegging in de zin van art. 261 lid 3 Sv.

Omvang van de strafrechtelijke vervolging

Een van de fundamenten van het strafprocesrecht is dat de tenlastelegging de omvang van de strafrechtelijke vervolging bepaalt. De verdachte heeft immers in het kader van een eerlijk proces het recht te weten van welke concrete feiten hij wordt verdacht, zodat hij in staat wordt gesteld zijn verdediging in een zo vroeg mogelijk stadium hierop in te richten. Dit nu de tenlastelegging de onderzoeks- en beslissingstaak van de rechter beperkt tot het ten laste gelegde. Uitgangspunt in ons strafproces is dan ook dat wijzigingen van de tenlastelegging ex. art 313 Sv alleen zijn toegestaan indien geen ander feit in de zin van art. 68 Sr ten laste wordt gelegd. Deze beperking geldt ex. art. 314a Sv niet voor zover het een voorlopig uitgebrachte tenlastelegging ex. art. 261 lid 3 Sv betreft.

Een “voorlopige” tenlastelegging

Maar wanneer is nu sprake van een “voorlopige” tenlastelegging? De regeling van art. 261 derde lid Sv in verbinding met art. 314a Sv is een uitzondering op de regel dat de inleidende dagvaarding de opgave bevat van het feit dat ten laste wordt gelegd. Art. 314a Sv is gericht op de situatie dat de officier van justitie een dagvaarding uit moet brengen op een moment waarop hij nog niet in staat is de tenlastelegging in definitieve vorm en met voldoening aan de vereisten van art. 261 lid 1 en 2 Sv op te stellen. Dit gezien de regeling van de voorlopige hechtenis (zie ook HR 20 oktober 1998, NJ 1999, 52 en HR 24 maart 1998 NJ 1998, 535). In sommige zaken moet immers na 104 dagen worden gedagvaard terwijl naar oordeel van het Openbaar Ministerie het voorbereidend onderzoek nog niet is voltooid en diverse zaken dienen te worden opgehelderd voordat tot een definitieve tenlastelegging kan worden gekomen. Te meer nu art. 261 Sv strenge eisen stelt aan de tenlastelegging, en de mogelijkheden tot wijziging en aanvulling op de terechtzitting strikt gelimiteerd zijn in art. 312 en 313 Sv.

Ten tijde van de behandeling van de invoering van art. 314a Sv zijn door de Minister voorbeelden genoemd van zaken waarbij art. 314a Sv uitkomst zou kunnen bieden. De genoemde voorbeelden hebben allen betrekking op feiten die ná het noodzakelijkerwijs uitbrengen van de dagvaarding aan het licht komen. Bijvoorbeeld wanneer een rogatoire commissie in het buitenland is gevraagd en dat de uitkomsten daarvan nog niet beschikbaar zijn. Of bijvoorbeeld een ingewikkelde fraudezaak waaraan andere delicten annex kunnen zijn (zie Handelingen Tweede Kamer 1972/73, 6 juni 1973, 1764 en Handelingen Tweede Kamer 1972/73, 14 juni 1973, 1846). De Hoge Raad heeft dan ook bepaald dat vanuit deze strekking van de bepaling, een redelijke uitleg van art. 314a Sv meebrengt dat de wijziging van de voorlopige tenlastelegging slechts dan niet kan worden toegelaten indien de wijziging ertoe zou leiden dat elk verband tussen de gedragingen die in het bevel gevangenhouding en die welke in de gewijzigde ten lastlegging zijn omschreven, ontbreekt (HR 14 september 2015, ECLI:NL:HR:2010:BM6904).

Opinie

Maar kan van de uitzonderingssituatie waarop art. 314a Sv is geënt nog worden gesproken indien voorafgaand aan het verlopen van de 102 dagen het voorbereidend onderzoek, behoudens het verrichten van pro justitia onderzoek, is voltooid? Brengt een redelijke uitleg van art. 314a Sv in dat geval mee dat de tenlastelegging nog ex. art. 314a Sv in plaats van art. 313 Sv kan worden gewijzigd? Mijns inziens niet. Indien de uitkomst van het pro justitia onderzoek aanleiding geeft om de tenlastelegging te wijzigen kan nog betoogd worden dat de voorlopige tenlastelegging ex. art. 314a Sv kan worden gewijzigd omdat de resultaten van het onderzoek ná het uitbrengen van de voorlopige tenlastelegging aan de officier van justitie bekend zijn geworden. Maar indien dit niet het geval is, dan is geen sprake meer van een uitzonderingssituatie waarbij de officier van justitie niet in staat is geweest de vooreerst uitgebrachte tenlastelegging in definitieve vorm en met voldoening aan de vereisten van art. 261 lid 1 en 2 Sv op te stellen. Deze dagvaarding dient dan als definitieve tenlastelegging te worden beschouwd welke alleen nog langs de lijn van art. 312 en 313 Sv gewijzigd kan worden.

De Officier van Justitie kan andere bevoegdheden inzetten om de betreffende feiten alsnog aan de verdachte ten laste te leggen, bijvoorbeeld via een parallelle dagvaarding, en daartoe dient art. 314a Sv niet te worden misbruikt. Te meer nu daarmee ook de waarborgen ten aanzien van het uitbrengen van een dagvaarding worden omzeild. Met ruime bevoegdheid tot wijziging van de tenlastelegging ex. art. 314a Sv dient dan ook behoedzaam te worden omgegaan. Indien en voor zover de wijziging ex. art. 314a Sv in het beschreven geval nog wél zou worden toegestaan, wordt de bedoeling van de Wetgever om art. 314a Sv te reserveren voor uitzonderingsgevallen, waarbij niet binnen 104 dagen een definitieve dagvaarding kan worden uitgebracht, teniet gedaan en worden de grondbeginselen waarop art. 313 Sv is gebaseerd geschonden.

Slot

De rechtbank was het niet met mij eens en besliste dat de officier van justitie ook in dit geval de bevoegdheid toekwam om middels de bevoegdheid ex. art. 314a Sv nieuwe feiten aan de dagvaarding toe te voegen. Een verdere motivering ontbrak, dus inzicht in de totstandkoming van deze beslissing heb ik jammer genoeg niet gekregen...

Meer blogs lezen van Wendy Alberts?



Posted in: Strafrecht