Swipe to the left

Brexit: implicaties voor spelers op de verzekeringsmarkt

Print
Brexit: implicaties voor spelers op de verzekeringsmarkt

Should the United Kingdom remain a member of the European Union or leave the European Union? ’ Dit was de vraag waarover de stemgerechtigde Britten zich moesten uitspreken op het op 23 juni 2016 gehouden referendum. Toen de stemmen waren geteld, bleken de voorstanders van een vertrek uit de Europese Unie – voor velen verrassend – te hebben gewonnen. De ‘Leave’-stemmers waren goed voor 51,9% van de uitgebrachte geldige stemmen, terwijl de ‘Remain’-stemmers niet verder kwamen dan 48,1%.

Uitslag Brexit-referendum

De uiteindelijke keuze voor een Brexit heeft grote gevolgen, zowel voor het Verenigd Koninkrijk (VK) als voor de overige lidstaten. Voor de spelers op de financiële markten zijn de gevolgen velerlei. Voor verzekeraars, Lloyd’s syndicaten en (her)verzekeringstussenpersonen met zetel in het VK kan de Brexit met zich brengen dat zij hun Europees paspoort en daarmee hun toegang tot de interne markt verliezen. Andersom kan de Brexit belemmeringen opwerpen voor verzekeraars, gevolmachtigd agenten en verzekeringstussenpersonen met zetel in Nederland of een van de andere overblijvende EER-lidstaten (De EU-lidstaten, met uitzondering van het VK, alsmede Noorwegen, Liechtenstein en IJsland.) die actief zijn of willen worden op de VK-markt.

Welke invloed de Brexit zal hebben op lopende verzekeringsovereenkomsten en op de daarin opgenomen forumbedingen is vooralsnog onduidelijk. Dat geldt eveneens voor de EU-richtlijnen inzake auto’s, waaronder de richtlijn waarin de aansprakelijkheidsverzekering voor motorrijtuigen en de controle daarop is geregeld. In deze bijdrage ga ik op deze gevolgen niet in. Ik beperk mij tot de ‘paspoort’-gevolgen voor spelers op de Nederlandse verzekeringsmarkt met zetel in het VK respectievelijk spelers op de Britse verzekeringsmarkt met zetel in Nederland.

Inwerkingtreding van artikel 50 VEU

De uitslag van het Britse referendum heeft tot gevolg dat artikel 50 VEU in werking treedt. Ingevolge artikel 50 lid 2 VEU moet het Verenigd Koninkrijk (VK) aan de Europese Raad kennis geven van zijn voornemen om zich uit de Europese Unie (EU) terug te trekken. Blijkens een uitspraak van premier Theresa May zal deze formele kennisgeving vóór het einde van maart 2017 plaatsvinden. Na deze kennisgeving starten de achterblijvende 27 lidstaten onderhandelingen met het VK over de voorwaarden van de uittreding.

Ingevolge artikel 50 lid 3 VEU heeft de uittreding tot gevolg dat het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie niet meer van toepassing zijn op het VK. Dit met ingang van de datum van de inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord of, indien er dan nog geen akkoord is, na verloop van twee jaar na de kennisgeving van het voornemen om de EU te verlaten. Overigens kan de Europese Raad, mits unaniem, besluiten deze tweejaarstermijn met instemming van het VK te verlengen. Het laat zich raden dat het minstens twee jaar zal duren, en waarschijnlijk (veel) langer, om een akkoord te bereiken over de toekomstige verhouding tussen het VK en de EU. Gedurende de tijd dat de onderhandelingen lopen is het VK een volwaardige EU-lidstaat, zij het dat de Britten dan niet mogen deelnemen aan beraadslagingen en besluitvorming inzake de uittredingsvoorwaarden en de toekomstige relatie met de EU.

Aangezien het te sluiten akkoord een internationale overeenkomst is, is artikel 218 lid 3 VWEU van toepassing. Dit stelt eisen aan de te volgen procedure. Overeenkomstig deze procedure doet de Europese Commissie aanbevelingen en besluit de Raad vervolgens een machtiging te verlenen tot het openen van de onderhandelingen en het aanstellen van een hoofdonderhandelaar. Inmiddels heeft Commissievoorzitter Juncker de Franse ex-minister en voormalig EU-commissaris Michel Barnier als hoofdonderhandelaar voorgesteld. EU-president Tusk wees eerder al de Belgische topdiplomaat Didier Seeuws aan als onderhandelaar namens de lidstaten. Aan Britse zijde werd David Davies door premier May aangesteld als voor de uittreding verantwoordelijke minister.

Europees paspoort

De voor financiële ondernemingen met zetel in een tot de Europese Economische Ruimte (EER) behorende staat geldende nationale wetgeving heeft in belangrijke mate een Europees karakter. Dit vanwege het feit dat de EER-staten gehouden zijn Europese richtlijnen te implementeren in hun nationale wetgeving. Onderlinge verschillen van de aldus geharmoniseerde nationale wetten zijn enkel mogelijk wanneer de nationale wetgeving van een of meer EER-staten met betrekking tot bepaalde onderdelen verdergaande regelingen bevat dan die van deze richtlijnen (‘gold plating’). Denk hierbij, bijvoorbeeld, aan het in Nederland geldende provisieverbod dat is opgenomen in artikel 86c lid 1 Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (BGfo).

Voor (her)verzekeraars met zetel in een EER-staat geldt naast het ‘home country control’-beginsel het ‘single license’- beginsel. Schade- en levensverzekeraars die beschikken over een vergunning die is verleend door de toezichthouder in de EER-staat waar zij statutair zijn gevestigd mogen daardoor in elk van de andere EER-staten als zodanig actief zijn door middel van een Europees paspoort. De betreffende richtlijn (Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (herschikking), PbEU 2009, L 335/1) heeft geen betrekking op natura-uitvaartverzekeraars. Overigens beschikken niet alleen verzekeraars en herverzekeraars over een Europees paspoort, maar ook in een EER-staat gevestigde (her)verzekeringstussenpersonen kunnen daarvan gebruik maken als zij als zodanig actief willen worden in een andere EER-staat. Levens-, schadeverzekeraars en (her)verzekeringstussenpersonen kunnen hun verzekerings- respectievelijk bemiddelingsactiviteiten met gebruikmaking van hun Europees paspoort in andere EER-staten uitoefenen. Dit kan door, hetzij rechtstreeks vanuit de EER-staat waar zij hun zetel hebben, respectievelijk vanuit een bijkantoor in een andere EER-staat waar zij grensoverschrijdend actief zijn (‘vrije dienstverrichting’) hetzij vanuit een in een EER-staat gevestigd bijkantoor.

Als een levensverzekeraar met zetel in Nederland rechtstreeks overlijdensrisicoverzekeringen sluit met inwoners van het VK is er sprake van dienstverrichting. Dat is ook het geval als een Amerikaanse makelaar vanuit zijn vestiging in het VK rechtstreeks bemiddelt bij het sluiten van schadeverzekeringen met in Nederland woonachtige verzekeringnemers of voor in Nederland gelegen risico’s. Hetzelfde geldt indien een verzekeraar vanuit de EER-staat waar hij zijn zetel heeft of vanuit een bijkantoor in een EER-staat aan inwoners van andere EER-staten de mogelijkheid biedt om online bij hem een verzekering af te sluiten. Dat is, bijvoorbeeld, het geval als een inwoner van ons land via het internet bij een Britse verzekeraar een inboedelverzekering sluit voor zijn in het VK studerende zoon. Overigens is het niet vanzelfsprekend dat de mogelijkheid om online een verzekering te sluiten ook openstaat voor geïnteresseerden uit een andere EER-staat dan van waaruit die mogelijkheidwordt geboden.

De voor schade- en levensverzekeraars met zetel in een EER-staat geldende EU-regels voor het vrij verrichten van diensten en voor het vestigen van een bijkantoor zijn te vinden in hoofdstuk VIII van de op 1 januari 2016 in werking getreden Richtlijn Solvabiliteit II. Artikel 145 en 146 bevatten de voorwaarden voor het vestigen van een bijkantoor en artikel 147 en 148 gaan over het verrichten van diensten. In beide gevallen moet de EER-verzekeraar die in een andere EER-staat activiteiten wil gaan ontplooien een notificatieprocedure doorlopen. Dit houdt in dat de verzekeraar de toezichthouder van de EER-staat waar hij zijn zetel heeft onder overlegging van de daarvoor aangewezen stukken moet informeren, waarna deze toezichthouder de toezichthouder van de EER-staat waar de verzekeraar via dienstverlening of vanuit een bijkantoor actief wil worden informeert. Voor herverzekeraars met zetel in een EER-staat bevat Richtlijn Solvabiliteit II noch voor het vrij verrichten van diensten noch voor het vestigen van een bijkantoor voorschriften. Voldoet een herverzekeraar die via dienstverrichting of vanuit een bijkantoor actief is in een andere EER-staat niet aan de in die lidstaat geldende wettelijke voorschriften dan kan de toezichthouder van die lidstaat ingevolge artikel 158 eisen dat deze herverzekeraar daar een einde aan maakt. Tegelijkertijd moet deze toezichthouder de toezichthouder van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis stellen. De door verzekeringstussenpersonen en herverzekeringstussenpersonen te volgen procedure is te vinden in artikel 6 van de Richtlijn Verzekeringsbemiddeling (Richtlijn 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling, PbEU 2003, L9/3). Ook voor hen geldt een notificatieplicht, ongeacht of zij hun bemiddelingsactiviteiten gaan verrichten vanuit de staat waarin zij zijn gevestigd of vanuit een bijkantoor in de EER-staat waar zij willen gaan optreden als bemiddelaar. Met ingang van 23 februari 2018, de datum waarop de EER-staten de Richtlijn Verzekeringsdistributie (Richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad van 20 januari 2016 betreffende verzekeringsdistributie (herschikking), PbEU 2016, L 26/19) moeten hebben geïmplementeerd in hun nationale wetgeving, regelt artikel 4 van deze richtlijn de vrijheid van dienstverlening en de op de vrijheid van vestiging toepasselijke regels die zijn neergelegd in artikel 6. Aangezien de implementatiedatum ligt in de periode dat het VK en de EU in onderhandeling zijn en het VK derhalve nog een lidstaat is, zal ook het VK zijn nationale wetgeving hiermee in overeenstemming moeten brengen.

De verzekeringsmarkt

Het VK neemt een vooraanstaande plaats in op de internationale verzekeringsmarkten. Niet het minst, omdat Londen voor verzekeraars uit niet-EER-staten niet alleen toegang biedt tot het VK maar tot alle overige EER-staten. Volgens opgave van de Bank of England waren er bij aanvang van dit jaar in het VK 496 verzekeraars actief met een door de Britse toezichthouder verleende vergunning. Bovendien waren er toen 98 Lloyd’s syndicaten. Blijkens de door de Bank of England verstrekte gegevens was het aantal in het VK actieve verzekeraars met zetel in een andere EER-staat met 730 aanzienlijk hoger. Voor 36 van deze verzekeraars is Nederland het land van herkomst.

Bank of England in Londen

Op een enkele uitzondering na hebben de verzekeraars, die gebruik maken van hun Europees paspoort, een bijkantoor in het VK – in nagenoeg alle gevallen in Londen. Daarnaast zijn er veel verzekeraars die zijn gevestigd in niet-EERstaten (in EU-termen: ‘derde landen’) zoals, bijvoorbeeld, Australië, de Volksrepubliek China, Japan, de Verenigde Staten en Zuid-Korea met een bijkantoor in het VK teneinde activiteiten te kunnen ontplooien op de verzekeringsmarkten van de EER-staten.

Raadpleging van het door De Nederlandsche Bank (DNB) ingevolge art. 1:107 lid 1 Wft gehouden openbaar register leert dat er behoorlijk veel verzekeraars met zetel in het VK met gebruikmaking van hun Europees paspoort actief zijn in Nederland. Daarbij zijn schadeverzekeraars in de meerderheid. Het zijn overigens niet enkel verzekeraars die vanuit het VK actief zijn in Nederland, maar ook herverzekeraars, verzekeringstussenpersonen en herverzekeringstussenpersonen.

Blijkens het door de Autoriteit Financiële Markten (AFM) gehouden openbaar register werken de meeste in Nederland actieve verzekeringstussenpersonen vanuit het VK – derhalve op basis van vrije dienstverrichting. Andersom zijn er verzekeringstussenpersonen die beschikken over een door de AFM verleende vergunning die met gebruikmaking van hun Europees paspoort in het VK optreden als bemiddelaar. Een verhaal apart vormen de in Nederland gevestigde gevolmachtigd agenten die als zodanig in ons land optreden voor verzekeraars met zetel in het VK of voor een of meer Lloyd’s syndicaten.

Toekomstige verhouding

De onderhandelingen die het VK en de EU na de kennisgeving ingevolge artikel 50 lid 2 VEU zullen moeten starten, bestaan eigenlijk uit twee onderhandelingstrajecten met elk een verschillend doel. Enerzijds zijn er uittredingsonderhandelingen, waarin VK en EU het eens moeten worden over de condities van de uittreding van het VK. Anderzijds zijn er onderhandelingen waarin de toekomstige verhouding tussen het VK en de EU centraal staat. Hoe deze toekomstige verhouding vorm wordt gegeven is vooralsnog een open vraag.

Het uittreden van een lidstaat heeft zich nog nooit eerder voorgedaan. Aannemelijk is dat beide onderhandelingstrajecten eerder volgtijdelijk dan tegelijkertijd zullen (moeten) worden doorlopen, waardoor de in artikel 50 VEU genoemde tweejaarstermijn wel eens te kort zoukunnen zijn. Behalve wellicht als het VK, waar het thans naar uitziet, kiest voor een ‘harde Brexit’ en in het geheel geen deel meer wenst uit te maken van de interne markt – ook niet in de beperkte mate overeenkomstig het hierna te bespreken Noors of Zwitsers model.

De Britse denktank Global Counsel publiceerde in juni 2015, een jaar voor de datum waarop het referendum plaatsvond, een uitgebreide analyse van de politieke en economische impact van een eventuele Brexit, zowel voor het VK als voor de EU. In deze analyse werden vijf mogelijke toekomstige modellen betrokken: het Noors model, het Turks model, het Zwitsers model, het FTA-model en het MFN-model. In haar in maart 2016 ingevolge de European Union Referendum Act 2015 aan het Parlement aangeboden rapport benoemt de Britse regering een aantal alternatieven, die overeenkomen met de door Global Counsel beoordeelde modellen. Het op vrijhandelsverdragen gebaseerde FTA-model (‘Free Trade Agreements’) wordt in dit rapport aangeduid als het Canadees model en waar Global Counsel haar vijfde model baseert op het ‘Most Favoured Nation’-concept – één van de hoekstenen van de Wereldhandelsorganisatie (‘World Trade Organisation’ (WTO)), gaat de Britse regering uit van het ruimere WTO-model. Het Noors model houdt in, dat het VK weliswaar uit de EU treedt maar lid blijft van de EER. Als de betreffende 30 landen akkoord gaan met het lidmaatschap van de EER, houdt het VK toegang tot de interne markt.

De EER-overeenkomst voorziet niet in gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid en het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Er zijn ook andere nadelen: het Noorse model brengt nauwelijks wijziging in de verplichte bijdragen aan de EU-begroting en het VK moet zich houden aan het merendeel van bestaande EU-standaarden en regelingen. Ook komt het VK, hoewel betrokken bij communautaire besluitvormingsprocessen, geen stem- of vetorechten toe. Belangrijk nadeel is verder dat het VK niet langer kan profiteren van de 53 vrijhandelsverdragen die het EU heeft gesloten met niet-lidstaten. Een gevoelig punt, tot slot, is dat het VK het vrij verkeer van personen zal moeten respecteren en zich zal moeten houden aan het Schengen-verdrag.

Aan het Zwitsers model, waarin het VK nauwelijks (politieke) invloed kan uitoefenen op EU-regelgeving maar ook niet hoeft bij te dragen aan de EU-begroting, liggen bilaterale handelsverdragen ten grondslag. Met ruim 120 sectorale bilaterale verdragen zijn grotendeels dezelfde regelingen ingevoerd als welke op het gebied van het vrij verkeer van personen, diensten, goederen en kapitaal (de ‘vier vrijheden’ van de EU) en de vrijheid van vestiging gelden voor de EER-staten. In het bijzonder voor goederen zijn daardoor de meeste handelsbelemmeringen weggenomen, maar niet voor landbouwproducten. Het Europees paspoort voor financiële diensten geldt enkel voor de verzekeringssector, zij het met uitzondering van levensverzekeringen. Dit berust op een overeenkomst tussen de EEG en de Zwitserse Bondsstaat en de door middel van een richtlijn (Richtlijn 91/371/EEG van de Raad van 20 juni 1991 inzake de toepassingvan de overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, PbEG 1991, L205/48) aan de lidstaten opgelegde verplichting om hun nationale wetgeving in overeenstemming te brengen met deze overeenkomst.

Het Turks model is enerzijds gebaseerd op een bilaterale overeenkomst, het in 1963 gesloten Associatieverdrag (Verdrag van Ankara), en berust anderzijds op het feit dat Turkije een kandidaat-lidstaat is. Turkije heeft slechts beperkte toegang tot de EU-markt, namelijk voor industriële goederen en bewerkte agrarische producten – niet voor financiële diensten. Voor de sectoren waarvoor Turkije toegang heeft tot de interne markt, moet het zijn regelgeving in overeenstemming brengen met de betreffende EU-regels. Dit geldt in het bijzonder voor regelgeving op het gebied van mededinging en milieu. Als de EU een handelsverdrag sluit met een ander land moet Turkije dit land op dezelfde condities toegang geven tot de Turkse markt, terwijl Turkije onderhandelingen moet openen om toegang te krijgen tot de markt van dat land. Als het VK kiest voor het Turks 11 Richtlijn 91/371/EEG van de Raad van 20 juni 1991 inzake de toepassing van de overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, PbEG 1991, L 205/48. model, gelden dus de nodige beperkingen en heeft het geen stem in het totstandkomingsproces van EU-regelgeving, waaraan het is gebonden. Het VK is dan wel gevrijwaard van afdrachten.

De bilaterale vrijhandelsverdragen die ten grondslag liggen aan het Canadees model (FTA-model) resulteren in een meer vrijblijvende relatie met de EU. Europese regelgeving blijft buiten toepassing en hoeft niet in de regelgeving van de verdragsstaat te worden geïmplementeerd. Ook hoeft de verdragsstaat geen afdrachten aan de EU te doen. Als het VK kiest voor dit model zal het dus minder verplichtingen hebben jegens de EU maar daar staat een beperkter toegang tot de interne markt tegenover. Bovendien zal het VK dan – evenals in het Noors, Zwitsers en Turks model – weinig of geen inbreng kunnen hebben in toekomstige EUregelgeving. De EU heeft handelsverdragen met meer dan 50 landen en de daarin geregelde markttoegang verschilt. Het Comprehensive and Economic Trade Agreement (CETA), het handelsverdrag van de EU met Canada, waarover in 2014 na zeven jaar overeenstemming werd bereikt en dat na de op de valreep door Wallonië afgedwongen tegemoetkomingen uiteindelijk in november 2016 kon worden ondertekend, kent de meest vérgaande regeling. De inwerkingtreding van dit verdrag heeft tot gevolg dat de EU-markt voor de meeste industriële goederen en agrarische producten toegankelijk wordt. Maar niet voor diensten, dus ook niet voor financiële ondernemingen.

Als het VK opteert voor het WTO-model, is er in het geheel geen ‘eigen’ relatie met de EU. Dit brengt met zich dat EU-regelgeving niet hoeft te worden geïmplementeerd, dat het VK niet is gebonden aan de regels inzake vrij verkeer van personen, geen afdrachten aan de EU verschuldigd zal zijn en niet zal zijn onderworpen aan de jurisdictie van het Europees Hof van Justitie. Dat neemt overigens niet weg dat Britse bedrijven die actief zijn op de interne markt zich zullen moeten houden aan bepaalde EU-regels, bijvoorbeeld milieuregels en regels op het gebied van veiligheid. In het WTO-model zou het VK slechts één van de 162 leden zijn en mede daardoor slechts een beperkte invloed hebben in onderhandelingen met andere landen. En als het erop aankomt, zullen de standpunten van de grootste spelers – de Verenigde Staten, China en de EU – het grootse gewicht in de schaal leggen.

Onderhandelingsresultaat

Als het VK, waar het naar uitziet, zal aansturen op een ‘harde Brexit’ is het maar de vraag wat het resultaat van de uittredingsonderhandelingen zal zijn. En nog minder, welke afspraken gemaakt zullen worden over de toekomstige verhouding tussen het VK en de EU. Daarbij moet worden bedacht, dat de uitkomst van de onderhandelingen van belang is voor alle spelers voor wie de vier vrijheden die het EU-lidmaatschap meebrengt de sleutel vormen naar de interne markt. Deze uitkomst is dus niet enkel van belang voor verzekeraars en (her)verzekeringstussenpersonen maar voor alle ondernemingen die zich op grond van het vrij verkeer van diensten bewegen op de interne markt. En zij is bovendien van belang voor ondernemingen die profiteren van de afschaffing van controles bij de binnengrenzen en douanerechten en voor welke op grond van het vrij verkeer van goederen geen in- of uitvoerbeperkingen gelden.

Zolang de onderhandelingen gaande zijn, is het VK een volwaardige lidstaat. Dit brengt met zich dat ook tijdens de onderhandelingsperiode EU-regelgeving moet worden geïmplementeerd in de nationale wetgeving. Voor zover het om verzekeringen gaat, is dat bijvoorbeeld het geval met de Richtlijn Verzekeringsdistributie. In beginsel is bij het afsluiten van de onderhandelingen de voor verzekeraars en verzekeringstussenpersonen geldende wet- en regelgeving in het VK inhoudelijk identiek aan wat in de EER-staten geldt. Echter, het kan niet worden uitgesloten dat de Richtlijn Verzekeringsdistributie met het vooruitzicht van een vertrek uit de EU niet wordt geïmplementeerd.

Enkel in het weinig waarschijnlijke geval dat het VK kiest voor het Noors model, en mits de EER-staten daarmee akkoord gaan, kunnen in het VK gevestigde verzekeraars en (her)verzekeringstussenpersonen toegang blijven houden tot de interne markt. Voorwaarde is dat het VK de reeds in zijn nationale wetgeving geïmplementeerde EU-regelgeving handhaaft en relevante nieuwe EU-regelgeving implementeert. Wat die nieuwe regelgeving betreft krijgt het VK onder het Noors model echter geen stem- of vetorecht. Naast het feit dat het lidmaatschap van de EER forse financiële bijdragen aan de EU-begroting met zich brengt vormt het vrij verkeer van personen, dat veel ‘Leave’-stemmers ertoe bracht om zich vóór de Brexit uit te spreken, een belangrijk punt van overweging.

De nadelen die aan het Noors model zijn verbonden gelden ook voor het Zwitsers model. Daar komt bij dat het Europees paspoort dan enkel voor schadeverzekeringen toegang geeft tot de interne markt. Het Turks model heeft geen betrekking op financiële diensten en vergt – ongetwijfeld langdurige – onderhandelingen om te komen tot een bilaterale overeenkomst tussen het VK en de EU. Komt zo’n overeenkomst tot stand dan is het VK gebonden aan de EU-regelgeving. Van gebondenheid aan deze regelgeving is geen sprake in het Canadees model en het WTO-model. Voor financiële diensten kent het Canadees model slechts beperkte toegang tot de interne markt.

Als het VK en de EU niet tot overeenstemming kunnen komen, dan zal het VK op basis van de WTO-regels bilaterale overeenkomsten moeten sluiten. Voor zover het om financiële diensten gaat, is dit voor het VK de minst aantrekkelijke optie.

Wat nu voor (her)verzekeraars of (her)verzekeringstussenpersonen?

In de directiekamers van Britse verzekeraars en (her)verzekeringstussenpersonen zal ongetwijfeld worden nagedacht hoe zij hun Europees paspoort, ongeacht de uitkomst van de onderhandelingen met de EU, kunnen behouden. Dit temeer, omdat een ‘harde Brexit’ eerder realiteit lijkt te worden dan het lidmaatschap van de EER.

Herverzekeraars zouden kunnen inzetten op toepassing van de gelijkwaardigheidsregel. Deze houdt in dat de door een herverzekeraar uit een derde land gesloten herverzekeringsovereenkomsten ingevolge artikel 172 lid 3 van de Richtlijn Solvabiliteit II na een daartoe strekkend besluit van de Europese Commissie hetzelfde moeten worden behandeld als herverzekeringsovereenkomsten met herverzekeraars met een vergunning van een EER-staat. De Europese Commissie kan tot dat besluit overgaan, indien de toepasselijke solvabiliteitsregeling gelijkwaardig is aan die van een in de EER-gevestigde herverzekeraar. De solvabiliteitsregels die thans gelden voor herverzekeraars met zetel in het VK zijn identiek aan de geldende EU-regels, dus méér dan gelijkwaardig. Waar al eerder werd besloten dat Bermuda, Japan en Zwitserland gelijkwaardige solvabiliteitsregels kennen, kan de Europese Commissie daarom niet anders dan de gelijkwaardigheidsregel ook op Britse herverzekeraars van toepassing verklaren.

Britse schade- en levensverzekeraars zouden bij wijze van anticipatie op een ‘harde Brexit’ kunnen overgaan tot het afsplitsen van hun EER-activiteiten en deze onderbrengen bij een door hen over te nemen verzekeringsmaatschappij of een op te richten verzekeringsmaatschappij met zetel in een van de EER-staten. Een andere optie is om een bestaand bijkantoor in een van de EER-staten om te vormen tot een verzekeringsmaatschappij. Een alternatief is om voor een bestaand bijkantoor in een van de EER-staten of een daar te vestigen bijkantoor de ingevolge artikel 162 van de Richtlijn Solvabiliteit II vereiste vergunning aan te vragen. De gelijkwaardigheidsregel geldt niet voor verzekeraars. Eventueel zou een binnen de interne markt gevestigde maatschappij echter kunnen overgaan tot een vorm van fronting door haar EER-portefeuille voor 100% te herverzekeren bij de in het VK gebleven ‘hoofd’-maatschappij.

De (her)verzekeringstussenpersonen, die met gebruikmaking van hun Europees paspoort rechtstreeks diensten verrichten binnen de interne markt, werken na de uittreding vanuit een ‘derde land’ en moeten dan voldoen aan de eisen die de wetgeving van de betreffende EER-staat hieraan stelt. Werken zij vanuit een bijkantoor in een lidstaat dan kunnen zij hun Europees paspoort behouden door dit bijkantoor om te vormen naar een verzekeringstussenpersoon, die voldoet aan de in de Richtlijn Verzekeringsdistributie gestelde eisen.

Aanbevelingen voor de verzekeringsrechtspraktijk

Financiële ondernemingen die hun zetel hebben in Nederland zullen zich erop moeten voorbereiden dat hun Europees paspoort in de loop van 2019 geen toegang meer verschaft tot de verzekeringsmarkt in het VK. Zij zullen voor wat betreft hun toekomstige activiteiten in het VK in overeenstemming met de dan geldende Britse wet- en regelgeving moeten handelen. Zij mogen er overigens van uitgaan dat de in het VK toepasselijke (toezicht) regels, waarin de EU-richtlijnen één op één zijn verwerkt, niet onmiddellijk na de uittreding van het VK uit de EU ingrijpend worden gewijzigd. Wel zal de rechtstreekse werking van EU-verordeningen op het moment van de uittreding komen te vervallen. Dit geldt zowel voor de Uitvoeringsverordening Solvabiliteit II als voor de PRIIP’sverordening die op 31 december 2017, dus nog vóór de onderhandelingen beginnen, in werking treedt.

Het is de vraag of het VK na de uittreding het EU-regime voor ‘derde landen’ handhaaft. Is dat niet het geval, dan zullen verzekeraars voor wie Nederland het land van vestiging is hun activiteiten in het VK mogelijk niet langer vanuit een bijkantoor in het VK kunnen verrichten. Zij kunnen daarop anticiperen door van dit bijkantoor een dochteronderneming naar Engels recht te maken en te voldoen aan de daarvoor in het uitgetreden VK geldende eisen.

Voor verzekeringstussenpersonen en gevolmachtigd agenten geldt ingevolge artikel 4:96 Wft een vergewisplicht. Als zij in het kader van hun normale bedrijfsvoering signalen ontvangen dat de verzekeraar of het Lloyd’s syndicaat met wie zij een samenwerkingsverband hebben niet over de vereiste vergunning beschikt, moeten zij die samenwerking beëindigen. Het is dus zaak om met de in het VK gevestigde verzekeraars en Lloyd’s syndicaten met wie zij een samenwerkingsovereenkomst hebben af te stemmen of zij hun samenwerking ook na de Brexit kunnen voortzetten.

Dit blogbericht is eerder in TAV verschenen als artikel.

Posted in: Sdu