Swipe to the left

CSI in de polder

Print
By 13 april 2017 16792 keer bekeken Geen opmerkingen

Als strafrechtadvocaat word je in het vooronderzoek regelmatig geconfronteerd met de technische recherche die sporenonderzoek doet of de benoeming van een deskundige. Hoe zit de verdeling tussen de verschillende opsporingsinstanties en experts? Op welke manier kan de strafrechtadvocaat uitoefenen in de opsporingsfase en contact met politie en het Openbaar Ministerie?

Is er sprake van een technisch opsporingsonderzoek of een deskundigenonderzoek?
Niet iedereen is op de hoogte van het verschil tussen een technisch opsporingsonderzoek en een deskundigenonderzoek. Het technisch opsporingsonderzoek is niet specifiek wettelijk geregeld en betreft een toepassing van de algemene bevoegdheid van de officier van justitie. Dit terwijl bij een deskundigenonderzoek de regels en waarborgen van artikel 150 Sv e.v. van toepassing zijn.

Technisch opsporingsonderzoek
Als het gaat om het verzamelen en veiligstellen van sporen dan is er per definitie sprake van een technisch opsporingsonderzoek. Dus ook als de recherche feitelijk het werk niet zelf uitvoert, maar dit uit handen geeft aan geen opsporingsinstanties zoals het TNO of het NFI. Voor deze fase van het onderzoek bestaan zogenoemde FO-normen. Een FO-norm beschrijft een standaard werkwijze bij het onderzoeken en veiligstellen van forensische sporen en dient als ingangscriteria bij het NFI en andere laboratoria. De verdediging kan de FO-normen opvragen, de werkwijze van de recherche nagaan en indien nodig aan de orde stellen op de zitting.

Als het gaat om de interpretatie en de analyse van het verkregen sporenonderzoek hangt het van het onderzoeksgebied af of sprake is van een technisch opsporingsonderzoek. Dit is het geval als het onderzoek wordt verricht door een opsporingsinstantie én het een onderzoeksgebied betreft dat op bijlage 3 bij de Aanwijzing technisch opsporingsonderzoek / deskundigenonderzoek staat.

In een zaak waarin uiteindelijk cassatie is ingesteld stond de vraag centraal of een onderzoek van een tachograafschijf door een verbalisant een technisch opsporingsonderzoek betreft of een deskundigenonderzoek. De Advocaat Generaal meent dat sprake is van een technisch opsporingsonderzoek, wat betekent dat artikel 150 Sv en artikel 51i Sv niet van toepassing zijn.[1] Dit kan onwenselijk zijn. Een idee in zulke gevallen zou kunnen zijn dat de verdediging de officier van justitie in ieder geval vraagt het materiaal bewaard te laten blijven voor eventueel tegenonderzoek te doen. Zo gaat het materiaal in ieder geval niet verloren. Mocht achteraf dan blijken dat het vernietigd is, dan kan de verdediging aanvoeren dat er sprake is van een schending van artikel 6 EVRM. [2]

Deskundigenonderzoek
Blijkens de Aanwijzing technisch opsporingsonderzoek / deskundigenonderzoek is er sprake van een deskundigenonderzoek in de zin van artikel 150 Sv als:
het onderzoek niet wordt verricht door een opsporingsinstantie;
het onderzoek onder een onderzoeksgebied valt dat niet is vermeld op de lijst die is opgenomen als bijlage 3;
- het onderzoek een (nadere) analyse of beoordeling van de bevindingen van het technisch opsporingsonderzoek inhoudt en niet verricht wordt door een opsporingsinstantie;
- het onderzoek een contra-onderzoek betreft en niet wordt verricht door een opsporingsinstantie.

Deskundige
Artikel 150 Sv bepaalt dat in het belang van het onderzoek de officier van justitie ambtshalve of op verzoek van de verdachte een deskundige uit het register als bedoeld in artikel 51k Sv kan benoemen. Dit betreft het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (NRGD). De officier van justitie dient in beginsel de verdediging hierover te informeren.[3] De codificatie van de deskundige vindt zijn grondslag in artikel 51l Sv. De deskundige dient in een met reden omkleed verslag aan te geven welke methode hij heeft toegepast, in welke mate deze methode en de resultaten daarvan betrouwbaar kunnen worden geacht en welke bekwaamheid hij heeft bij de toepassing van de methode.

Artikel 150a Sv bepaalt dat de verdediging aanwijzingen kan geven. Dit betekent dat de verdediging ook een andere hypothese dan het Openbaar Ministerie kan indienen. In het geval van een (aannemelijk) alternatief scenario kan het in de rede liggen dit in dit stadium al te doen. Raadzaam is deze hypothese dan goed te formuleren en zonodig met bewijs nader te ondersteunen.

Het is van belang voor de verdediging om zich ervan te vergewissen dat er sprake is van een deskundige op het betreffende gebied. Dit is namelijk niet vanzelfsprekend. Het feit dat er iemand wordt benoemd, wil niet zeggen dat het ook een expert op het gebied is dat wordt onderzocht. Dit is wel van belang, zeker voor de beoordeling van de bewijswaarde van forensisch materiaal. Dit is allereerst in belang in het voorstadium, maar natuurlijk ook in het geval een deskundige een voor de verdediging negatief rapport uitbrengt. Het kan dan in rede liggen de deskundige te horen over zijn expertise en zijn methode. Maar ook of er (informeel) contact is geweest met de officier van justitie.

Dit kan ook bruikbaar zijn voor een eventuele contra-expertise.

Contra-expertise
Mocht de verdachte het niet eens zijn met de uitslag van het onderzoek, dan kan de verdachte – met redenen omkleed – verzoeken om een contra-expertise. Deze contra-expertise kan bekijken of er sprake is geweest van fouten in het onderzoek, een verschil in interpretatie of gebruik van bepaalde (mogelijk verouderde) technieken. Naast een algemene beoordeling van het rapport, is het raadzaam zelf een onderzoeksvraag in te brengen voor de deskundige. Daarin kunnen bijvoorbeeld ook aanvullende methoden van onderzoek worden voorgesteld en/of nieuwe bemonsteringen. Daarbij kunnen ook alternatieve scenario’s worden meegenomen. Het is daarvoor mogelijk ook relevant kennis te nemen van de gehele rapportage van het NFI, in plaats van de (standaard) verkorte rapportage.

Afwijzing contra-expertise
Bij weigering van een verzoek tot contra-expertise, dient de officier van justitie op basis van artikel 150b lid 1 Sv daarvan gemotiveerd kennis aan de verdediging te geven. Op basis van artikel 150b lid 2 Sv kan de verdediging zich vervolgens wenden tot de rechter-commissaris.

Chain of Custody
Het gehele proces van het veiligstellen, transporteren, onderzoeken en het opslaan van het materiaal heet de ‘chain of custody’. De gehele procesgang moet worden geregistreerd: van het veiligstellen op het plaats delict tot de uiteindelijke analyse en rapportage. Dit is een hele keten met meerdere fases die toch niet altijd even nauwkeurig gaan. De niet-naleving van voormelde regels kan op basis van de jurisprudentie van de Hoge Raad een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv in het vooronderzoek opleveren.

De uitdaging voor de verdediging is dan de rechter te bewegen hier het rechtsgevolg bewijsuitsluiting aan te verbinden. Er is dan wel één ‘klein’ hobbeltje, namelijk het onderbouwen van het nadeel voor de verdachte. Die toets is streng, hetgeen ook blijkt uit de jurisprudentie. Het enkele feit dat de verdachte wordt vervolgd is hiervoor niet voldoende. Voelt u zich vooral geroepen om de handschoen zelf op te pakken!



[1] Zie voor conclusie ECLI:NL:PHR:2015:1826. De Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2015:2774) deed de zaak op 22 september 2015 af met de verkorte motivering als bedoeld in artikel 81 lid 1 Wet RO.

[2] In lijn hiermee: Gerechtshof te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 23 april 2013, nummer 20/000191-10. Het Hof overweegt dat het ontbreken van een contra expertise kan leiden tot bewijsuitsluiting wegens schending van artikel 6 EVRM. De Hoge Raad heeft in een uitspraak d.d. 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1451 vervolgens aangegeven dat het Hof dit onvoldoende had gemotiveerd en heeft terugverwezen naar het Hof.

[3] Niet geregistreerde deskundige kunnen niet door de officier van justitie worden benoemd, maar gebeurt in de regel door de rechter-commissaris op basis van artikel 176 en 227 Sv.

Posted in: Strafrecht