Swipe to the left

De cold case Miriam Sharon: een magistratelijke tussenbeslissing van het gerechtshof Den Haag

Print
De cold case Miriam Sharon: een magistratelijke tussenbeslissing van het gerechtshof Den Haag

Afgelopen vrijdag besteedde EenVandaag aandacht aan de cold case-zaak “Miriam Sharon”. In het bijzonder werd ingegaan op de (tussen)beslissing die het gerechtshof Den Haag daarin recent heeft genomen met betrekking tot het voorarrest van de verdachte). Voordat we over deze beslissing komen te spreken, zullen we eerst kort aangeven waar de zaak over gaat en hoe wij, Van Boom Advocaten, daarbij betrokken zijn geraakt.

In 1990 werd Miriam Sharon dood aangetroffen in haar eigen woning; haar keel was doorgesneden. De politie startte direct een onderzoek. Lange tijd leek het onderzoek echter volledig vastgelopen, totdat in 2016 een verdachte werd aangehouden. Dit gebeurde naar aanleiding van een cold case-onderzoek dat in 2015 werd gestart en waarbij oude stukken van overtuiging werden onderzocht met behulp van nieuwe forensische (DNA-)technieken. Het stuk van overtuiging dat een 'DNA-match' met de verdachte opleverde, betrof een sigarettenpeuk die zich in de woning van Miriam Sharon bevond.

Procesverloop in eerste aanleg

Naar aanleiding van die match, en overigens het onderzoek dat daarop volgde, werd die verdachte vervolgd voor de moord op Miriam Sharon. Een subsidiaire variant zoals bijvoorbeeld doodslag, zoals we die vaak zien bij de vervolging van levensdelicten, kon niet meer aan de orde komen omdat doodslag inmiddels was verjaard. Strafrechtjuristen weten dat dit een wereld van verschil betekent. De Hoge Raad hecht immers veel waarde aan (de motivering van) datgene wat moord in de zin van art. 289 Wetboek van Strafrecht onderscheidt van doodslag in de zin van art. 287 Wetboek van Strafrecht: ‘de voorbedachten rade’. Over die ‘voorbedachten rade’ was in het geheel niets bekend en daar bracht een ‘DNA-match’ logischerwijs geen verandering in. Bezien vanuit het (strategische) perspectief van de verdediging kon het dan ook weinig verbazing wekken dat de verdachte geen verklaring aflegde. Met of zonder zijn verklaring, voor een veroordeling bood het dossier immers geen ruimte omdat in elk geval het bewijs voor de ‘voorbedachte rade’ ontbrak, zo was de overtuiging bij de verdediging.

De rechtbank Den Haag oordeelde echter anders (zie ECLI:NL:RBDHA:2017:13299). Zij schetste eerst het (bekende) toetsingskader omtrent de ‘voorbedachte rade’, waarbij wordt afgesloten met de overweging dat het opmerking verdient "dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad". Daarna wordt gemotiveerd in welke omstandigheden de rechtbank "sterke aanwijzingen" ziet dat sprake was van "een vooropgezet plan" dat "op professionele wijze" is uitgevoerd. De rechtbank komt zodoende tot een bewezenverklaring van moord via (onder meer) een daarop voortbordurende "Murray-overweging" dat het voorgaande schreeuwt "om een redelijke, de redengevendheid van de bewijsmiddelen ontzenuwende, verklaring van de verdachte" omdat "het naar het oordeel van de rechtbank de verdachte is geweest die Miriam Sharon om het leven heeft gebracht". De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren.

Procesverloop in hoger beroep

De verdachte ging in hoger beroep en het is op dat moment dat wij hem zijn gaan bijstaan. Door de raadsman van cliënt was eerder al bestreden dat sprake was van de (wettige en overtuigende) bewijsbaarheid van het verrichten van geweldshandelingen door de verdachte, die resulterende in de dood van Miriam Sharon, én dat sprake was van het bestaan van zelfs een vooropgezet plan dat het om het leven brengen van Miriam Sharon inhield. Belangrijker is evenwel dat cliënt zelf, tegenover ons, eveneens nadrukkelijk betwistte dat hij zich schuldig had gemaakt aan dodelijk geweld tegen Miriam Sharon. Het is vanwege die betwisting door cliënt dat op dat moment en in gezamenlijk overleg, werd besloten dat hij alsnog openheid van zaken zou geven en zijn volledige verhaal zou doen binnen het kader van het (openbare) strafproces jegens hem. Opmerking verdient dat dit voor cliënt overigens niet eenvoudig was doordat zijn geheugen, naast het tijdsverloop, was aangetast door (de gevolgen van) een comateuze toestand waarin onze cliënt enkele weken terecht was gekomen in detentie.

Uiteindelijk resulteerde dit besluit in een verklaring bij de politie. Bij die gelegenheid is cliënt – in tegenstelling tot hetgeen wordt gesteld in het item van EenVandaag – wel degelijk "aan de tand gevoeld” over zijn verhaal door de rechercheurs in kwestie. Kort gezegd hield die verklaring van cliënt in dat hij in 1990 met een derde naar het huis van Miriam Sharon is gegaan. Aldaar is hij wel binnen geweest, maar heeft hij geen (dodelijk) geweld uitgeoefend en is hij op een bepaald moment naar buiten gegaan. Miriam Sharon was op dat moment nog in goede gezondheid. De metgezel van cliënt is langer binnen gebleven, maar is op een gegeven moment ook naar buiten gekomen. Laatstgenoemde heeft cliënt toen gemaand weg te gaan. Deze verklaring kwam voor de procespartijen overigens niet uit het niets: cliënt had zijn veklaring al op papier gezet in 2016, kort na zijn aanhouding, en deze verklaring was al eerder in hoger beroep ingebracht door de verdediging.

Na het afleggen van de verklaring bij de politie en de verstrekking daarvan onder de procespartijen, besloot het gerechtshof tot een 'tussenzitting' op 12 juni 2019. Anders dan in het item van EenVandaag wordt gesuggereerd, werd die zitting juist ingelast om niet met een "verkapte uitspraak" te komen. Op deze manier konden de partijen worden gehoord en kon het gerechtshof zelf met een deugdelijke beslissing komen over de vraag of de door cliënt afgelegde verklaring tot een ander oordeel zou moeten leiden over de "ernstige bezwaren" (voor het voortduren van het voorarrest). Anders gezegd, de vraag kon worden beantwoord: is het verwijt dat cliënt Miriam Sharon met ‘voorbedachten rade’ om het leven heeft gebracht, na de afgelegde verklaring nog altijd voldoende hard te maken om het voorarrest van cliënt te rechtvaardigen (dat inmiddels al 3 jaar duurde)? Kort en goed oordeelde het gerechtshof, anders dan het openbaar ministerie en overeenkomstig het (eerder ingenomen, uitvoerige) standpunt van de verdediging, dat dat niet het geval is.

De beslissing over het voorarrest

Het is via deze weg dat wij niet enkel reageren op het item van EenVandaag om het standpunt van cliënt te verduidelijken, maar het is met name het gerechtshof dat wij willen loven om zijn beslissing tot het inplannen van een tussenzitting. Zonder deze tussenzitting had cliënt namelijk nog langer moeten wachten om na zijn jarenlange voorarrest eindelijk in vrijheid gesteld te kunnen worden. Cliënt had immers ofwel moeten wachten tot de volgende pro formazitting, ofwel was hij, via een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis, compleet afhankelijk geweest van de raadkamer van het gerechtshof Den Haag die doorgaans minder is ingevoerd en is ingelezen in de zaak en die minder is genegen tot het beluisteren en beschouwen van zaaksinhoudelijke argumenten dan de (inhoudelijke) zittingsrechter. De ervaring leert dat deze raadkamer weinig geschikt is om te komen tot de vergaande en gevoelige beslissing van het opheffen van het voorarrest in een zaak van de ernst en omvang als de onderhavige.

Dat voortduren van het voorarrest zou voor cliënt onverteerbaar zijn op het moment dat hij uiteindelijk alsnog zijn volledige verhaal heeft gedaan, zoals hiervoor (summier) samengevat. Dat geldt zeker omdat deze verklaring moet worden gezien in combinatie met het dossier. Uit dat dossier volgt niet de minste aanwijzing waarmee de inhoudelijke onjuistheid van de verklaring van cliënt kan worden aangetoond, laat staan waarmee de ‘voorbedachten rade’ met enige mate van zekerheid kan worden vastgesteld. De vrijlating van onze clïënt was in die zin dus onvermijdelijk. Ook zonder deze tussenzitting zou dat zijn gebeurd, maar dan bij de eerstvolgende pro formazitting en in elk geval zonder dat sprake zou zijn geweest van een inhoudelijke zitting. Aldus wekt de beslissing van het hof Den Haag allicht minder verbazing dan volgt uit het item van EenVandaag. Sterker nog, de handelswijze van de raadsheren in deze zaak is in onze visie inhoudelijk meer dan begrijpelijk en zelfs prijzenswaardig.


Posted in: Strafrecht