Swipe to the left

De financiering van de bv kan volledig in box 2!

Print
De financiering van de bv kan volledig in box 2!
By drs. N.M. Ligthart 22 mei 2019 548 keer bekeken Geen opmerkingen

Een aanmerkelijkbelanghouder kan in meerdere hoedanigheden in relatie tot zijn bv in de heffing worden betrokken, bijvoorbeeld als aandeelhouder en als schuldeiser. Anders is het bij een IB-ondernemer die als financier slechts één hoedanigheid kent en in principe geen keuze heeft wat betreft de wijze waarop hij vermogen ter beschikking stelt aan de eigen onderneming. Voor een aanmerkelijkbelanghouder bevindt de financiering via een (informele) kapitaalstorting zich in de box 2-sfeer. Vergoedingen en waardeveranderingen van kapitaal behoren tot het inkomen uit aanmerkelijk belang. Bij de aanmerkelijkbelanghouder die een geldlening verstrekt, valt de schuldvordering onder de terbeschikkingstellingsregeling van box 1. Vergoedingen en waardeveranderingen zijn belast tegen het progressieve tabeltarief. Daar staat een aftrekrecht tegenover bij de bv van de verschuldigde vergoedingen. Het maakt dus verschil op welke wijze een aanmerkelijkbelanghouder zijn bv financiert. Maar waarom zou het fiscaal bezien mogen uitmaken in welke vorm een aanmerkelijkbelanghouder zijn bv financiert?
In deze Opinie maak ik mij sterk voor het fiscaal niet langer onderscheid maken al naar gelang sprake is van een financiering met eigen vermogen dan wel met vreemd vermogen. Allereerst blik ik kort terug op de behandeling van vorderingen en borgstellingen bij de herziening van het aanmerkelijkbelangregime in 1997 en de Belastingherziening 2001.

Herziening aanmerkelijkbelangregime in 1997

De wetgever koos ervoor om (de vervreemding en aflossing van) vorderingen vanaf 1997 voortaan onder de aanmerkelijkbelangregeling te brengen. Deze wijziging hield verband met de problematiek rondom turboconstructies. Het destijds bestaande regime liet waardeveranderingen van vorderingen ongemoeid; alleen de inkomsten waren belast (als inkomsten uit vermogen). In de praktijk leidde dit ertoe dat belastingplichtigen voor een gering bedrag zowel de aandelen in als de onvolwaardige vordering (zogeheten ‘turbovordering) op een lege bv kochten. Door nieuwe activiteiten op te starten in deze bv nam de waarde van de vordering toe als gevolg van de behaalde resultaten. Het voordeel in de vorm van een waardestijging kon in principe niet worden aangemerkt als inkomsten uit (andere) arbeid. De aanmerkelijkbelanghouder genoot het voordeel onbelast in de hoedanigheid van crediteur.
De wijziging bleef niet beperkt tot turbovorderingen. De wetgever bracht alle vorderingen onder het aanmerkelijkbelangregime met de gedachte dat het niet uitmaakt op welke wijze een aanmerkelijkbelanghouder vermogen aan de vennootschap ter beschikking stelt. Ook borgtochtvergoedingen kwamen onder de aanmerkelijkbelangregeling te vallen ingeval de borgtocht was aangegaan voor schulden van de eigen bv of van die van een gelieerd persoon. De ontvangen provisie was belast als regulier voordeel. Omdat de regresvordering van een aangesproken aanmerkelijkbelanghouder door de gewijzigde behandeling tot een (negatief) vervreemdingsvoordeel kon leiden, zou het volgens de wetgever onevenwichtig zijn wanneer de voordelen die de borg geniet voor het aangaan van de borgtocht dan buiten de belastingheffing zouden blijven.

Belastingherziening 2001

Met de Belastingherziening 2001 zijn de vorderingen en borgtochtvergoedingen onderdeel gaan uitmaken van de terbeschikkingstellingsregeling in box 1. Dit is niet zonder slag of stoot gegaan. In eerste instantie zouden vorderingen onderdeel blijven uitmaken van het aanmerkelijk belang via de meesleep- en meetrekregeling. Belangrijke wijziging was dat ook de inkomsten uit een vordering (als regulier voordeel) tot het inkomen uit aanmerkelijk belang zouden gaan behoren, waar zij voorheen nog als progressief belast inkomen uit vermogen werden aangemerkt. Dat de rente op een vordering ook voortaan als regulier voordeel zou worden belast, werd gerechtvaardigd door een versterking van de parallel tussen ondernemers en aanmerkelijkbelanghouders. Bij ondernemers zijn alle voordelen uit het in de onderneming geïnvesteerde vermogen immers belast als winst uit onderneming. Deze gedachte dient echter te worden geplaatst binnen de context van de discussie die liep over het verschil in behandeling tussen aanmerkelijkbelanghouders (box 2) en beleggers (box 3) en de wens om aan te sluiten bij reële inkomensstromen in plaats van forfaitaire rendementen.
Daarnaast werd voorgesteld om de meetrekregeling verder uit te breiden met vermogensbestanddelen die rendabel worden gemaakt door deze direct of indirect ter beschikking te stellen aan de bv waarin men een aanmerkelijk belang heeft, of een samenwerkingsverband waarvan deze bv deel uitmaakt. Deze uitbreiding moest ongewenste en oneigenlijke arbitrage voorkomen. Schuldvorderingen bleven wel afzonderlijk geregeld binnen de meetrekregeling.

Dit is het eerste deel van een NTFR Opinie geschreven door drs. N.M. Ligthart. De volledige opinie kunt u hier inzien. Deze Opinie is opgenomen in NTFR nummer 21 van 23 mei 2019 (NTFR 2019/1271).


Blijf op de hoogte van onze blogs en meer door Sdu Fiscaal te volgen op LinkedIn
Posted in: Fiscaal Recht