Swipe to the left

De grens tussen toezicht en opsporing bij kalverfraude, de koe bij de horens gevat

Print
De grens tussen toezicht en opsporing bij kalverfraude, de koe bij de horens gevat
By 6 maanden geleden 18175 keer bekeken Geen opmerkingen

De afgelopen tijd was de zogenaamde ‘kalverfraude’ uitgebreid in het nieuws. Kort gezegd zou het gaan om boeren die kalfjes op papier toeschreven aan een andere koe die al gekalfd had, omdat dat gunstig is voor de fosfaatnormen. De minister kondigde maatregelen en controles aan. Ik mocht over dit onderwerp een kort interview geven aan vakblad Boerderij. Daar was vooral aandacht voor de vraag wat boeren nu te doen staat bij een controle van de NVWA. Daarbij werd ook enige aandacht besteed aan de vraag wanneer nu sprake is van een controle, van het uitoefenen van toezicht, en wanneer van opsporing. Dit onderscheid is van belang, omdat bij opsporing de cautie gegeven moet worden. Bij controle hoeft dat niet en heeft iemand de plicht mee te werken. Is nu al te zeggen waar in deze casus sprake van is, van toezicht of van opsporing? We vatten de koe bij de horens.

Controle en opsporing
Uit de nieuwsberichten en ook uit de brief die de minister stuurde om de kamer te informeren, blijkt dat de NVWA bedrijven zal gaan controleren waar van een ongewoon hoog aantal meerlingen, meerdere kalfjes bij één koe, sprake is. Daarbij wordt tevens nog opgemerkt dat bedrijven waarbij van onjuistheden in de registratie blijkt, vervolgd kunnen worden voor fraudedelicten. De NVWA is belast met controle, maar ook met opsporing van strafbare en beboetbare feiten.

De grens tussen controle en opsporing is niet makkelijk te duiden. Daar is dan ook veel jurisprudentie over. Eén van de belangrijkste arresten in dat verband is het zogenaamde Chambaz-arrest van het EHRM. Uit dat arrest blijkt dat het Nemo Tenetur-beginsel van toepassing is vanaf het moment dat een betrokkene niet kan uitsluiten dat er een bestraffende sanctie volgt (EHRM 5 april 2012, AB 2012/32). Uit die norm blijkt dat dus niet zozeer de vraag naar het doel van de controle van belang is, maar of niet langer uit te sluiten valt dat op basis van die controle een bestraffende sanctie kan worden opgelegd. In dat verband kan ook gewezen worden op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep naar aanleiding van een opgelegde boete vanwege het niet bij het UWV melden van werkzaamheden. De Centrale Raad overwoog dat de inspecteur er voor het gesprek al van op de hoogte was dat de persoon in kwestie niet gemelde werkzaamheden had verricht. Dat het gesprek slechts gericht zou zijn op het ‘wat’ en niet het ‘waarom’, deed volgens de raad dan ook niet ter zake, de cautie had gegeven moeten worden (CRvB 20 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2499). Een recentere uitspraak in dat verband is de tussenuitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. In die zaak werd tot uitsluiting van de verklaringen van betrokkene gekomen. Door de controlerende instantie, de AID, de voorloper van de NVWA, was steeds volgehouden dat van een controle sprake was en dat het doel van de controle op dat moment ook nog geen boeteoplegging was, daarom zou de cautie niet gegeven hoeven worden. Het college overwoog echter dat voor het verhoor uit een aantal analyseverslagen en verklaringen van anderen bleek dat zij geen mest hadden afgenomen, terwijl zij wel als afnemer waren geregistreerd. Daar kwam bij dat op het moment van aanvang van de controle, gelet op het tijdsverloop, een herstelsanctie al niet meer mogelijk was. Het college nam dan ook aan dat van opsporing sprake was en dat de cautie gegeven had moeten worden (CBB 26 oktober 2017, ECLI:NL:CBB:2017:343). Deze bestuursrechtelijke jurisprudentie is hier van belang omdat het jurisprudentie is die ziet op bestraffende sancties en die dus één op één in het strafrecht toepasbaar is.

Conclusie
Als we deze jurisprudentie toepassen op de casus van de kalverfraude, rest mijns inziens geen andere conclusie dan dat in ieder geval aan alle boeren die na de brief van de minister aan de tweede kamer worden gecontroleerd, de cautie gegeven moet worden en dat van een opsporingsonderzoek sprake is. Immers, in de eerste plaats is van belang dat men alleen langs gaat bij bedrijven waar van forse afwijkingen in het aantal meerlingen sprake is. Dan is er dus al een vermoeden dat de registratie niet klopt. Hoewel zeer recent wel bleek dat veehouders 8 weken de tijd zouden krijgen om de I&R registraties te herstellen, wordt in een persbericht van de NVWA wel aangegeven dat alle onregelmatigheden al vastgelegd zijn. Reeds dat maakt dat, in lijn met de uitspraak van het CBB, gezegd kan worden dat van toezicht, van controle, niet langer sprake is. Daar komt dan de norm uit Chambaz bij, kan een betrokkene nog uitsluiten dat een bestraffende sanctie volgt? Gelet op het feit dat in de brief aan de kamer al wordt aangekondigd dat bij bedrijven waar blijkt van onjuistheden in de registratie, vervolging zal worden ingesteld en zelfs expliciet wordt gerefereerd aan de fraudedelicten, kan die vraag niet anders dan met nee beantwoord worden. Ook daarom moet hier dus gezegd worden dat van opsporing sprake is. Het zal dan ook interessant zijn om te bezien, als zogenaamde kalverfraude-zaken uiteindelijk voor de rechter komen, of de cautie is gegeven en met welke mededelingen de NVWA is langsgekomen.

Posted in: Strafrecht