Swipe to the left

De om aandacht schreeuwende ‘bedreiger’

Print
De om aandacht schreeuwende ‘bedreiger’

Bedreiging in de traditionele zin van het woord is van alle tijden en plaatsen. Een gezonde dosis nuchterheid is wél op zijn plaats. Als alle (veronderstelde) ‘bedreigingen’ die dagelijks in onze samenleving worden geuit ook zouden worden gepleegd, dan zou de bevolking behoorlijk uitdunnen. Gelukkig leven wij in ons land niet in díe werkelijkheid.

Bedreiging met een terroristisch misdrijf c.q. oogmerk is (nog) niet zo’n ‘klassiek’ delict. Deze variant is de afgelopen tien jaar toegevoegd aan de misdrijfsoorten. De aanslagen in 2001 op het World Trade Center in New York vormden de directe aanleiding voor staten om na te gaan of hun strafwetgeving voldoende op peil was om de bestrijding van terrorisme adequaat uit te kunnen voeren. Dat heeft op Europees niveau geleid tot regelgeving en vervolgens tot implementatie daarvan in Nederland. Dit heeft zijn neerslag in ons land gevonden in de Wet terroristische misdrijven (Stb. 2004, 290). Kern van de Wet terroristische misdrijven vormen de artikelen 83 en 83a Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Artikel 83 Sr geeft een limitatieve opsomming van terroristische misdrijven in en buiten het Wetboek van Strafrecht. Artikel 285 lid 3 Sr staat hier vermeld als een terroristisch misdrijf.

Strafwaardigheid van bedreiging
Bedreiging kan door het uiten van bedreigende taal, door andere feitelijke gedragingen of een combinatie van beiden zijn gepleegd. Het is opvallend dat de Hoge Raad bedreiging als bedoeld in artikel 285 Sr qua reikwijdte beperkt lijkt te houden. Daarbij kan worden gewezen op een uitspraak van de Hoge Raad van 20 september 2016 (HR 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2131). Daarin ging het om een bedreiging met zware mishandeling. De Hoge Raad zet uiteen op basis waarvan bepaald moet worden wanneer een uiting bedreigend is: indien de uiting van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. De Hoge Raad verduidelijkt waarop de vrees gericht moet zijn, namelijk op een confrontatie met de bedreiger of een ander handelende namens de bedreiger, waarbij de bedreigde daadwerkelijk zal worden mishandeld en daarbij zwaar lichamelijk letsel zal kunnen oplopen.

Niet in alle gevallen kan het bezigen van bedreigende woorden worden aangemerkt als een strafwaardige bedreiging ex artikel 285 Sr. Naast voornoemde eisen moet ook worden bekeken of het echt de bedoeling was van de verdachte om de ander redelijke vrees aan te jagen (zie bijv. Hof Arnhem 1 februari 2005, ECLI:NL:GHARN:2005:AS5050 en HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4191). Treffend overwoog het Hof Leeuwarden in zijn arrest van 17 mei 2011 (Gerechtshof Leeuwarden 17 mei 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ5142) dat “onder de gegeven omstandigheden de geuite bewoordingen zijn op te vatten als een emotionele ontlading, maar niet geëigend om vrees op te wekken als bedoeld in artikel 285 Sr”. In iedere strafzaak komt het kortom aan op de aard van de uitlatingen en de omstandigheden waaronder zij zijn gedaan.

Recente feitenrechtspraak

De beoordeling óf sprake is van een strafbare bedreiging is en blijft casuïstisch, zo blijkt opnieuw uit recente feitenrechtspraak. Interessant is het vonnis van de Rechtbank Gelderland van 22 maart 2018 (Rechtbank Gelderland 22 maart 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:1287). In deze uitspraak gaat het om een verdachte die vanuit zijn woning eerst belt met een medewerkster van een huisartsenpost van een ziekenhuis en direct daarna met de 112-hulpdienst. Volgens aangeefster zou de verdachte in het eerste telefoongesprek hebben gedreigd met het plegen van een aanslag, hetgeen de verdachte ontkent. In het tweede telefoongesprek met de 112-hulpdienst zou de verdachte hebben verklaard erover na te denken om “net als die terroristen een school in te lopen en mensen dood te maken”. Op verzoek van de verdediging is de bandopname van het 112-gesprek door verdachte ter zitting door de rechtbank beluisterd (de bandopname van het eerste telefoongesprek bleek niet beschikbaar). De rechtbank oordeelt daarna, dat de verdachte in zijn 112-gesprek een gedachte heeft geuit, waarvan hij weet dat deze niet normaal is en dat hij daarom belt voor hulp. Voorts overweegt de rechtbank, dat daaruit niet blijkt, dat de verdachte met het uiten van die gedachte iemand bang wilde maken, of hulp wilde afdwingen. Uit deze zaak volgt opnieuw dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een strafbare bedreiging niet alleen kan worden afgegaan op de aard van de uitlatingen, oftewel de bewoordingen. Zeer relevant zijn óók de omstandigheden waaronder deze zijn geuit. De rechtbank heeft uiteindelijk, met de verdediging, aannemelijk geacht dat verdachte op de bewuste avond voor hulp heeft gebeld. Aan de opzet-eis voor ‘bedreiging’ is dus niet voldaan. Gelet op deze uitkomst kwam de rechtbank ook niet toe aan een bewezenverklaring van de zwaarder tenlastegelegde bedreiging met een terroristisch misdrijf (artikel 285 lid 3 Sr).

Niet elke ‘schreeuw om hulp’ die in bedreigingszaken van de kant van de verdediging wordt aangevoerd eindigt in een vrijspraak. Een markante uitspraak is een uitspraak van de Rechtbank Limburg van 29 mei 2018 (Rechtbank Limburg 29 mei 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:4967). In deze zaak is sprake van een (deels) bekennende verdachte. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte heeft gedreigd met een terroristisch misdrijf door een 112-melding te doen bij de politiekamer. Hierbij gaf hij aan dat hij namens IS sprak, bij het Zilvermeer in Blerick in het water zou staan, een bomgordel zou dragen, zichzelf zou opblazen, de flessen in de bomgordel gevuld zouden worden en de telefoon waarmee hij het gesprek voerde aan zijn oor vastgetaped was. Deze rechtbank slaat ook acht op “de context waarbinnen de melding is gedaan en met name ook de persoon van de verdachte”. De rechtbank stelt vast “dat onmiskenbaar sprake is van een schreeuw om hulp aan de zijde van de verdachte, veroorzaakt door spanningen op allerlei vlakken die de verdachte niet onder controle kreeg en de gedachte anders geen hulp te zullen krijgen”. De open en meewerkende proceshouding van de verdachte maakte dat de strafzaak lichter eindigde dan de officier van justitie in zijn requisitoir had beoogd.

Alertheid
De strafrechtadvocaat heeft in elke strafzaak, zeker ook in bedreigingszaken, een belangrijke taak om de voor de cliënt juiste proceshouding te (her)overwegen. Zeker in zaken waar een terrorismecomponent aan de orde is, is bijzondere alertheid aangewezen. Terrorismewetgeving dient een legitiem doel, maar het kan niet de bedoeling van de wetgever zijn dat de rechtsbescherming van de verdachte vervolgens achterop raakt. Amnesty International concludeerde in een rapport uit januari 2017 dat ook in Nederland aantasting dreigt van de rechtsstaat vanwege allerlei wetsvoorstellen op het terrein van anti-terrorisme.

Zoals zo vaak in het strafrecht, komt een ‘leefbare uitkomst’ van de strafzaak aan op een tijdige en scherp ingezette verdediging.

Terechte oproep voor verdachte én de samenleving
De (pro)actieve strafrechtadvocaat is in bedreigingszaken waar een alternatief scenario door de verdachte wordt geschetst bepaald geen overbodige luxe. Hopelijk kunnen in de nabije toekomst strafrechtadvocaten met kennis, empathie en passie om op te komen voor de medemens blijven bestaan. De oproep vanuit diverse geledingen tijdens het eerder deze maand gehouden Gerbrandydebat om minister Dekker voor Rechtsbescherming “het lekkende dak van de rechtsstaat te laten dichten” (door extra geld beschikbaar te stellen voor de sociale advocatuur) is in dit verband volkomen terecht!

Posted in: Strafrecht