De onschuldige verdachte met een alibi; toch zwijgrecht?

De onschuldige verdachte met een alibi; toch zwijgrecht?
3 april 2018 7510 keer bekeken

Voordat ik advocaat werd ben ik op andere, meer gedragskundige terreinen, in het strafrecht werkzaam geweest. Vanuit deze achtergrond ben ik nog altijd geïnteresseerd in nieuw wetenschappelijk onderzoek op het snijvlak van strafrecht en psychologie. Zo stuitte ik tijdens het paasweekend op het onderzoek van de op 7 maart jl. gepromoveerde dr. R. Nieuwkamp van de Universiteit van Maastricht naar de beoordeling van de geloofwaardigheid van alibi’s van onschuldige verdachten (Nieuwkamp, R. (2018)., “Where I was and how I will prove it; on the believability of alibis”, Maastricht University). De vraag die in deze blog centraal staat is in hoeverre de onderzoeksresultaten uit deze dissertatie kunnen worden gebruikt in de strafrechtpraktijk.

Ondersteunend bewijs
In zijn proefschrift heeft Nieuwkamp in kaart gebracht welke factoren de geloofwaardigheid van een alibi beïnvloeden, welk bewijs van onschuldige verdachten kan worden verwacht en hoe de geloofwaardigheid van een alibi wordt beoordeeld.

Uit de door Nieuwkamp verrichtte literatuurstudie blijkt dat de sterkte van ondersteunend bewijs voor het alibi de meest bepalende factor is voor de geloofwaardigheid daarvan. Echter is slechts 2% van de onschuldige verdachten maar in staat hun onschuld aan te tonen aan de hand van een alibi dat wordt ondersteund door sterk bewijs zoals camerabeelden. Hoewel de onschuldige verdachte meestal wel ondersteunend bewijs kán leveren voor zijn alibi, is dit meestal “zwak bewijs” zoals een getuigenverklaring (Nieuwkamp, 2018).

Consistentie
Ongeacht de sterkte van het bewijs wordt de geloofwaardigheid van het alibi daarnaast bepaald door de consistentie daarvan. Nieuwkamp stelt dat minder dan 30% van de onschuldige verdachten consistent verklaart ten aanzien van het alibi.

Uit Amerikaans onderzoek dat door Nieuwkamp wordt aangehaald volgt dat wanneer onschuldige verdachten te kampen hebben met geheugenproblemen en fouten maken, ze hiervoor weinig begrip krijgen van de politie. Als aan verdachten wordt gevraagd om een alibi te geven voor 24 uur eerder, vindt meer dan de helft van de politieambtenaren het extreem onwaarschijnlijk dat verdachten daarin fouten maken. Als er een week zit tussen het misdrijf en de ondervraging vindt nog steeds één op de acht politieagenten het extreem onwaarschijnlijk dat de verdachte daarbij een fout maakt. Als een verdachte een initieel gegeven verklaring later wijzigt, denkt 80% van de politieambtenaren dat hij dat doet omdat hij in zijn eerdere verklaring heeft gelogen (in plaats van dat hij een fout heeft gemaakt). Een inconsistent alibi kan er dus onterecht toe leiden dat politieambtenaren een dergelijke vergissing als leugenachtig beschouwen (Dysart, J. E., Strange, D. (2012) Beliefs about alibi’s and alibi investigations: A survey of law enforcement. Psychology, Crime and Law, 18, 11-25).

In een door hemzelf uitgevoerd onderzoek vindt Nieuwkamp dat de geloofwaardigheid van het alibi wel kan toenemen wanneer wordt teruggekomen op een eerder gegeven alibi, mits er een gedegen reden is om in eerste instantie te liegen, zoals bijvoorbeeld het verhullen van een affaire (Nieuwkamp, 2018).

Hoge onrealistische eisen
Uit het proefschrift volgt dat hoge en ook onrealistische eisen worden gesteld aan de onschuldige verdachte. Onderschat wordt hoe lastig het is voor een onschuldige verdachte om een geloofwaardig alibi te presenteren met sterk ondersteunend bewijs, en daarnaast ook nog eens consistent te zijn. Desalniettemin is er ook licht aan de horizon nu Nieuwkamp in zijn onderzoek concludeert dat rechercheurs stellen dat zij zich bij het beoordelen van alibi’s niet alleen richten op de sterkte van het bewijs, maar ook de mate waarin het alibi geverifieerd kan worden. Zo wordt bijvoorbeeld het aantal getuigen ook meegewogen in de beoordeling van de geloofwaardigheid van het alibi(Nieuwkamp, 2018).

Tot dusver de onderzoeksresultaten van Dr. Nieuwkamp. Nu de vraag in hoeverre de genoemde onderzoeksresultaten kunnen worden gebruikt in de strafrechtpraktijk.

Artikel 27 Sv
De verdediging ziet zich ermee geconfronteerd dat per definitie voorafgaand aan het verhoor op grond van artikel 27 Sv sprake is van feiten en omstandigheden waaruit een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. Met andere woorden; de verdachte wordt niet voor niets als verdachte gehoord. Door politiemensen wordt vaak in het verhoor naar voren gebracht dat dit hét moment is voor de verdachte om zijn kant van het verhaal te vertellen en onderzoek kan worden gedaan naar zijn onschuld.

Uit het voorgaande volgt nu juist dat het dezelfde politiemensen zijn die sceptisch staan tegenover het door de verdachte gegeven alibi, ook wanneer de verdachte achteraf onschuldig blijkt te zijn. Wanneer de verdachte niet beschikt over sterk ondersteunend bewijsmateriaal voor zijn alibi, dan wel zijn alibi anderszins geverifieerd kan worden, loopt hij een groot risico niet geloofd te worden. Ook al vertelt hij de waarheid. Bovendien blijkt dat wanneer de verdachte, om wat voor reden dan ook, gedurende het strafproces op zijn verklaring moet terugkomen en hier geen goede reden voor kan geven, dit ten onrechte ten koste gaat van zijn geloofwaardigheid.

Waarheidsvinding versus strafrechtelijk onderzoek
Van belang is om vast te stellen dat hoewel door politie en het Openbaar Ministerie wordt gestreefd naar waarheidsvinding, althans dit is wat gepretendeerd wordt, strafrechtelijk onderzoek vanuit bewijsrechtelijk perspectief geen onderzoek naar de waarheid is, maar naar datgene wat wettig en overtuigend bewezen kan worden (Myjer, E. (2002). Strafrechtelijk onderzoek en waarheidsvinding. Justitiële Verkenningen, 26- 49). In het beste geval komt hetgeen wettig en overtuigend bewezen is overeen met hetgeen zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, maar dit is in de praktijk zeer zeker niet altijd het geval.

Risico op inconsistenties
Wanneer een verdachte gaat verklaren bestaat er een groot risico dat hij inconsistent verklaart, en op een later moment terug moet komen op zijn verklaring. Het verhoor is vaak een stressvolle situatie voor een verdachte. Uit de resultaten van onderzoek naar de effecten van stress op ons geheugen weten we dat het ophalen van informatie ook wordt bemoeilijkt door stress. Dit in combinatie met de matige herinnering die een onschuldige verdachte vaak zal hebben aan het moment waarop een alibi wordt gevraagd, is de kans op fouten in het geven van een alibi groter.

Als gaten ontstaan in de herinnering van een gebeurtenis, hebben mensen ook nog eens de neiging om de gaten van hun herinnering aan te vullen met details die de normale routine volgen. Wanneer de onschuldige verdachte wordt gevraagd naar zijn alibi voor maandagavond, op welke avond de verdachte altijd sport, zal hij over deze avond verklaren volgens het vaste schema dat hij daarover in zijn geheugen heeft. Hij weet misschien niet meer exact hoe de betreffende avond is verlopen, maar zal invullen dat hij naar de sportschool is gefietst, na het sporten nog één drankje heeft gedaan, en daarna weer naar huis is gefietst. Zo ziet zijn normale sportavond er immers uit. Afwijkingen van dit schema voor de specifieke maandagavond waarnaar door de politie wordt gevraagd, bijvoorbeeld dat hij samen met iemand naar de sportschool is gereden omdat het regende of dat hij die avond wat langer is blijven hangen dan gebruikelijk, kunnen dan gemakkelijk leiden tot fouten in het gegeven alibi (Van Koppen, M.V., Nieuwkamp, R. (2017). Alibi’s. In: Van Koppen, P.J. et all. Routes van het Recht: Over de rechtspsychologie. Den Haag: Bom juridisch, p. 259). Kortom, een inconsistent alibi lijkt eerder regel dan uitzondering te zijn. Zeker wanneer de verdachte op voorhand niet weet waarop hij wordt bevraagd.

Advies: zwijgrecht?
Ook wanneer de verdachte die pretendeert onschuldig te zijn een alibi heeft, is hij afhankelijk van politieagenten, en op een later moment ook rechters, die zijn alibi beoordelen op geloofwaardigheid. Een alibi moet daarom ook overtuigend zijn om de verdachte te kunnen helpen. De personen die een alibi beoordelen onderschatten hoe lastig het is voor een onschuldige verdachte om een geloofwaardig alibi te presenteren.

Wanneer de verdachte die stelt onschuldig te zijn een verklaring aflegt, kan deze verklaring verkeerd worden geïnterpreteerd en/of uiteindelijk als in de bewijsconstructie worden gebruikt wanneer de verklaring ongeloofwaardig wordt bevonden. Rechters zijn ook geneigd om een verdachte met een zwak, inconsistent of onjuist alibi eerder te veroordelen (Van Koppen, M.V., Nieuwkamp, R. (2017). Alibi’s. In: Van Koppen, P.J. et all. Routes van het Recht: Over de rechtspsychologie. Den Haag: Bom juridisch, p. 259).

Voorafgaand aan het verhoor is het dan ook van belang uit te vragen in hoeverre de verdachte een alibi heeft, welk alibi ondersteund zou kunnen worden door sterk bewijsmateriaal. Is dit het geval, dan staat er niets aan in de weg om een verklaring af te leggen. Dit is echter maar een zeer kleine groep van de verdachtenpopulatie. In vrijwel alle gevallen ontbreekt het de verdachte aan sterk bewijsmateriaal, maar heeft de verdachte wel wetenschap van ander ondersteunend bewijsmateriaal. Dan is het van belang te achterhalen in hoeverre het bewijs kan worden geverifieerd alvorens een verklaring wordt afgelegd.

Heeft de verdachte geen ondersteunend bewijsmateriaal of is het ondersteunend bewijsmateriaal niet te verifiëren, dan dient in ieder geval zo veel mogelijk te worden voorkomen dat door de verdachte inconsistent wordt verklaart om zijn geloofwaardigheid te behouden. Zeker wanneer de verdachte niet goed weet waarvan hij verdacht wordt en op welk moment het strafbare feit zich zou hebben afgespeeld, kan het lonen om ten minste in het begin van het strafrechtelijk onderzoek een beroep te doen op het zwijgrecht. Dit kan immers voorkomen dat de verdachte onnodig inconsistent verklaart.

Hiermee pretendeer ik niet dat het verstandig is voor de verdachte met een alibi om pas na kennisneming van de stukken of pas ter terechtzitting een verklaring af te leggen. Vanuit de vertrouwelijke relatie die strafrechtadvocaten met hun cliënt onderhouden zijn wij ons er meer dan anderen van bewust dat wanneer een verdachte zich op zijn zwijgrecht beroept, dit niet persé betekent dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het strafbare feit. Anderen, waaronder ook professionals in de strafrechtketen, lijken echter veelal het idee te hebben dat wanneer een verdachte zich op zijn zwijgrecht beroept “hij wel wat te verbergen zal hebben”. Wanneer een verdachte, na zich bij de politie consequent op zijn zwijgrecht te hebben beroepen, ter terechtzitting opeens wél wil verklaren, wordt deze verklaring met argusogen bekeken. Ook kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat in een dergelijke situatie vaker wordt overwogen dat de ter terechtzitting afgelegde verklaring niet geloofwaardig wordt bevonden (nu deze is afgelegd nadat de verdachte kennis heeft kunnen nemen van het dossier en zijn verklaring hierop heeft kunnen afstemmen), dan wanneer de verdachte in een eerder stadium zijn verklaring zou hebben afgelegd.

Desalniettemin kan door met name in de beginfase van het strafrechtelijk onderzoek de presumpties van de politie mee te wegen in het advies aan de cliënt, in het voordeel van de verdachte de geloofwaardigheid van het alibi worden beïnvloed.

Opmerkingen