Swipe to the left

De rechter waarschuwt de wetgever

Print
De rechter waarschuwt de wetgever
By mr. A.E.H. van der Voort Maarschalk 22 mei 2019 693 keer bekeken Geen opmerkingen

Op 31 januari van dit jaar was het honderd jaar geleden dat de Hoge Raad zijn waarschijnlijk beroemdste arrest wees: Lindenbaum/Cohen. Het ging om een geval van bedrijfsspionage. De drukker Cohen haalde een werknemer van zijn concurrent Lindenbaum ertoe over hem tegen betaling vertrouwelijke gegevens over offertes en prijzen van Lindenbaum te verstrekken. Lindenbaum vond dat onrechtmatig van Cohen. De rechtbank wees de vordering van Lindenbaum toe. In overeenstemming met de bestaande jurisprudentie wees het hof de vordering echter af, kort gezegd omdat de wet de handelwijze van Cohen nergens verbood. De Hoge Raad ging ‘om’, door te oordelen dat niet alleen het handelen in strijd met een wettelijke bepaling onrechtmatig kan zijn, maar ook het handelen in strijd met ongeschreven normen die in het maatschappelijke verkeer gelden. In de woorden van de Hoge Raad:
‘dat onder onrechtmatige daad is te verstaan een handelen of nalaten, dat òf inbreuk maakt op eens anders recht, òf in strijd is met des daders rechtsplicht, òf indruischt, hetzij tegen de goede zeden, hetzij tegen de zorgvuldigheid, welke in het maatschappelijk verkeer betaamt ten aanzien van eens anders persoon of goed, terwijl hij, door wiens schuld tengevolge dier daad aan een ander schade wordt toegebracht, tot vergoeding daarvan is verplicht’.

Deze woorden zijn niet door de Hoge Raad bedacht. De strenge lijn van zijn jurisprudentie ontmoette al enige tijd kritiek, met name na het arrest van de Zutphense juffrouw uit 1910. In 1911 was daarom al een wetsvoorstel ontworpen voor wijziging van de onrechtmatigedaadregeling, in 1913 gevolgd door een aangepast voorstel. Ofschoon de wetsvoorstellen positief werden ontvangen, kwam het niet tot een wetswijziging. De Hoge Raad nam in Lindenbaum/Cohen het initiatief van de wetgever over en gebruikte voor zijn baanbrekende arrest de zojuist geciteerde woorden die hij rechtstreeks ontleende aan het wetsvoorstel van 1913.

In het kader van de viering van honderd jaar Lindenbaum/Cohen vroeg het blad Mr. een aantal civiele cassatieadvocaten over welk arrest de volgende jubileumviering zou moeten gaan. Veel genoemd werd het Haviltexarrest, maar ook werd het arbeidskostenforfaitarrest van de belastingkamer genoemd. Dit arrest viert deze maand zijn twintigjarige jubileum. Het bijzondere eraan is dat de Hoge Raad daarin de grenzen tussen de rechtsvormende taken van de rechter en de wetgever afbakent, al had de Hoge Raad dat al wel eerder gedaan. In het arbeidskostenforfaitarrest oordeelde de Hoge Raad dat het arbeidskostenforfait leidde tot een niet te rechtvaardigen ongelijke behandeling van werknemers met hoge arbeidskosten en werknemers met standaardkosten. Aangezien verschillende oplossingen denkbaar waren om de discriminatie op te heffen, oordeelde hij dat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten zou gaan aanstonds in het rechtstekort te voorzien. Een duidelijke termijn waarbinnen herstel moest plaatsvinden gaf de Hoge Raad niet. Hij overwoog slechts ervan uit te gaan dat de wetgever spoedig een wetsvoorstel zou indienen om de regeling aan te passen. Die aanpassing vond plaats met de invoering van de Wet IB 2001, en dat vond de Hoge Raad tijdig. Daarbij nam hij mede in aanmerking dat de wetgever een eerdere wijziging niet mogelijk achtte.

Dit is het eerste deel van een NTFR Opinie geschreven door mr. A.E.H. van der Voort Maarschalk. De volledige opinie kunt u hier inzien. Deze Opinie is opgenomen in NTFR nummer 20 van 16 mei 2019 (NTFR 2019/1203).


Blijf op de hoogte van onze blogs en meer door Sdu Fiscaal te volgen op LinkedIn
Posted in: Fiscaal Recht