Swipe to the left

De schadevergoedingsmaatregel: een regeling met draconische gevolgen (deel 2)

Print
De schadevergoedingsmaatregel: een regeling met draconische gevolgen (deel 2)
By 23 januari 2018 46843 keer bekeken Geen opmerkingen

Enkele maanden terug schreef ik in dit blog over de geregeld schrijnende gevolgen van oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. Twee niet helemaal met elkaar overeenkomende uitspraken van het Hof Amsterdam brengen me ertoe om aan dit onderwerp opnieuw een blog te besteden, vooral omdat ik denk dat de verdediging met deze uitspraken in de hand nog vaker en uitvoeriger verweer moet voeren tegen oplegging van deze maatregel.

De schadevergoedingsmaatregel

Voor de minder goed ingevoerde lezer noem ik dat de schadevergoedingsmaatregel een door de strafrechter opgelegde maatregel is. Deze maatregel houdt in dat de rechter de Staat de opdracht geeft om het bedrag van de schadevergoeding bij de verdachte te incasseren, zodat het slachtoffer niet zelf zijn schade hoeft “te halen”. De wet (art. 36f jo. 24c Sr) schrijft hierbij voor dat de rechter moet bepalen dat als geen volledige betaling volgt, vervangende hechtenis wordt toegepast.

De civiele rechter over de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis

In mijn blog van enkele maanden terug beschreef ik uitvoerig dat de schadevergoedingsmaatregel in de praktijk met grote regelmaat leidt tot het uitzitten van vervangende hechtenis. Niet omdat een veroordeelde niet wil betalen, maar omdat sprake is van betalingsonmacht. De civiele rechter vindt deze gang van zaken niet onrechtmatig, want de Staat (het CJIB) doet niets anders dan een vonnis van de strafrechter tenuitvoerleggen. De les uit de civiele rechtspraak is simpel: om te voorkomen dat de maatregel niets anders is dan een extra vrijheidsstraf, moet de strafrechter alvorens de maatregel op te leggen in iedere zaak kritisch kijken naar de financiële ruimte die een verdachte heeft. Waarbij ik opmerk dat naar mijn ervaring in de praktijk deze les snel vergeten lijkt of zelfs niet bekend is: het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel en vervangende hechtenis is vrijwel een automatisme. Met verstrekkende, soms vernietigende gevolgen, zo voeg ik toe.

De uitspraken van het Hof Amsterdam

Het hof Amsterdam heeft deze maand twee uitspraken gepubliceerd waarin nadrukkelijk aandacht is besteed aan betalingsonmacht in het kader van de schadevergoedingsmaatregel. De eerste uitspraak dateert al van 9 mei 2016 (hierna: uitspraak 1, ECLI:NL:GHAMS:2016:3474), de tweede is van 17 oktober 2017 (hierna: uitspraak 2, ECLI:NL:GHAMS:2017:5474).

In uitspraak 1 legde het Hof een schadevergoedingsmaatregel op voor een bedrag van 2.000 euro. De verdachte was (naar eigen zeggen) alcoholverslaafd, woonde in een begeleide woonvorm, ontving een WWB-uitkering, zat in een schuldhulpverleningstraject en kreeg per week 45 euro leefgeld.

Het Hof overwoog bij de oplegging van de maatregel dat alleen in uitzonderlijke gevallen afgezien kan worden van oplegging, namelijk vooral in gevallen waarin op voorhand vaststaat dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel slechts zal leiden tot het in de toekomst tenuitvoerleggen van vervangende hechtenis (vgl. HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3694).

Het Hof nam vervolgens aan dat verdachtes schuldhulpverleningstraject op enig moment tot een einde zal komen en dat niet uitgesloten kan worden dat de (andere) problemen waarmee de verdachte leek te kampen op enig moment dusdanig worden omgebogen, dat hij inkomen op basis van betaalde arbeid zou kunnen verwerven.

Verder heeft het Hof in zijn uitspraak genoteerd dat er mogelijkheden bestaan om met het OM te komen tot een betalingsregeling over een langere termijn. Aansluitend hierop overwoog het Hof dat uit de Aanwijzing executie volgt dat het “Openbaar Ministerie in beginsel geen betalingsregelingen treft en dat er, als dit wel wordt vergund, betalingstermijnen worden gesteld (van 12 of 36 maanden en slechts in zeer uitzonderlijke gevallen nog langer) die voor de verdachte, gelet op de hoogte van het voor vergoeding in aanmerking gebrachte bedrag, bepaald een uitdaging zullen vormen.” Het Hof matigde de vervangende hechtenis daarom tot de helft van het gebruikelijke bij dit bedrag op te leggen aantal dagen.

In uitspraak 2 pakte het Hof het anders aan. De in eerste aanleg toegewezen vordering bedroeg hier ruim 14.000 euro. De verdediging voerde (subsidiair) onderbouwd aan dat de verdachte financiële ruimte had voor de betaling van maximaal 103 euro per maand.

Het hof overwoog dat het aangewezen was dat de verdachte de door haar veroorzaakte schade in termijnen zal vergoeden, gezien de door de verdediging overgelegde stukken met betrekking tot haar inkomenssituatie. Het Hof wees er daarbij echter op dat er geen mogelijkheid is om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen ten aanzien van de volledige schade met een termijnbetaling van 100 euro per maand. Bij een betaling in termijnen mogen de termijnen die een rechter toestaat tezamen het tijdvak van twee jaren namelijk niet overschrijden. Dit volgt uit art. 24a jo. 36f lid 5 Sr. Daarom zag het Hof af van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel: op voorhand stond vast dat het opleggen van de maatregel slechts zou leiden tot het in de toekomst tenuitvoerleggen van vervangende hechtenis als de betaling niet in termijnen van circa 103 euro per maand kon plaatsvinden.

Commentaar op beide uitspraken

Natuurlijk valt het op dat in uitspraak 2 het schadebedrag behoorlijk groter was dan in uitspraak 1. Ook valt op dat in uitspraak 2 het Hof kennelijk uitging van een onveranderlijke situatie, terwijl het Hof in uitspraak 1 blijkbaar wel mogelijke veranderingen voorzag. Tegelijk waren deze veranderingen hoogst onzeker. Bovendien was onzeker of het OM wel zou instemmen met een betalingsregeling en zo ja, of de veroordeelde bij zo’n regeling wel bij machte zou zijn om binnen de gangbare termijn de volledige schade te vergoeden. Het Hof neemt in deze uitspraak welbewust de aanmerkelijke kans op de koop toe dat de veroordeelde enkel als gevolg van betalingsonmacht in detentie zou raken. Zonder enig rechtsmiddel als dat dan aan de orde is. Het voelt niet rechtvaardig aan: wat is de zin van deze detentie dan? Nog daargelaten de maatschappelijke kosten van deze zinloze detentie.

Het Hof neemt in deze uitspraak welbewust de aanmerkelijke kans op de koop toe dat de veroordeelde enkel als gevolg van betalingsonmacht in detentie zou raken.

Uitspraak 2 spreekt meer aan. Feitelijk kent de wet twee regelingen die zien op de wijze van tenuitvoerlegging van de incasso van een schadevergoedingsmaatregel. De ene regeling (24a jo. 36f Sr) geeft de rechter de mogelijkheid om betaling in termijnen toe te staan waarbij het te innen bedrag binnen maximaal twee jaar voldaan moet zijn. De andere regeling (561 Sv) geeft het OM de mogelijkheid om uitstel van betaling te verlenen en om een betalingsregeling aan te gaan. Het is het eigen beleid van het OM om hier zo stringent mee om te gaan zoals hiervoor al genoemd en in de Aanwijzing Executie omschreven. Of anders gezegd: het is het eigen beleid van het OM om vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen ook als blijkt dat er sprake is van betalingsonmacht. Het OM zal zich voor dit beleid wel verschuilen achter de rechter: de rechter hoort immers de betalingsonmacht te wegen. De praktijk is echter dat een rechter dit niet of maar zeer summier weegt. Een rechter die het strikte OM-beleid kent, behoort onder ogen te zien dat het OM zichzelf in de Aanwijzing Executie nauwelijks een maatschappelijke verantwoordelijkheid geeft en zichzelf ook nauwelijks ruimte geeft voor instemming met een ruimere betalingstermijn dan een rechter volgens de wet kan opleggen.

Het OM-beleid dwingt tot meer rechterlijke verantwoordelijkheid

Als (vrijwel) buiten kijf staat dat volledige betaling niet binnen 2 jaar kan plaatsvinden, dan zou een rechter niet moeten blindvaren op een ruimhartiger OM. De ruimhartigheid van het OM is namelijk ver te zoeken. Een voorbeeld van het gebrek aan ruimhartigheid is in mijn vorige blog over dit onderwerp wel te vinden. Maar ik zou ook kunnen wijzen op enkel de Aanwijzing Executie van het OM. Die Aanwijzing schrijft voor dat al tijdens de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf wordt aangevangen met de incasso van een schadevergoedingsmaatregel. In de wetenschap dat een gedetineerde tijdens detentie 0,76 euro per uur uitbetaald krijgt, ligt het wel voor de hand dat tal van incassotrajecten niet slagen. Tegen die achtergrond is het opmerkelijk en ook wrang te noemen dat de Aanwijzing Executie van het OM als uitgangspunt heeft dat bij het mislukken van de incasso zoveel als mogelijk de vervangende hechtenis aansluitend op de vrijheidsstraf ten uitvoer wordt gelegd. Met andere woorden: het beleid is om géén oog te hebben voor betalingsonmacht. Tegen deze achtergrond is het opmerkelijk dat de meest recente uitspraak van het Hof Amsterdam (uitspraak 2) een juridische bijzonderheid is.




Posted in: Strafrecht