Swipe to the left

De twijfelachtige onderbouwing van “strafverzwarende” omstandigheden

Print
De twijfelachtige onderbouwing van “strafverzwarende” omstandigheden
By 3 maanden geleden 4293 keer bekeken Geen opmerkingen

De heersende opinie onder velen die niet thuis zijn in de praktijk van het strafrecht – en helaas ten dele ook onder enkelen die wel thuis zijn in het strafrecht – is dat strafvermindering een vies woord is. Elke omstandigheid is strafverzwarend. Begaat iemand een feit lichtvaardig? Strafverzwarend! Begaat iemand een feit daarentegen weloverwogen? Ook strafverzwarend! In de praktijk is het met enige regelmaat opboksen tegen standpunten van dit allooi. Als het argument voor strafverzwaring daarbij al jarenlang wordt ingenomen, soms zelfs in de wet of in richtlijnen verankerd is, bestaat het risico dat een kritische benadering wordt vervangen door herkenning en daarmee een automatische strafverhoging.

Ik zal in deze blog kort drie onderwerpen benoemen waarin vaak automatisch wordt gesteld dat er sprake is van strafverzwarende omstandigheden, terwijl deze onderwerpen naar mijn idee geregeld een genuanceerdere benadering verdienen.

1. Medeplegen strafverzwarend?
In vrijwel alle richtlijnen van het Openbaar Ministerie (en rechtspraak) wordt medeplegen gezien als strafverzwarende factor. Buiten discussie staat dat dat uitgangspunt begrijpelijk is in bijvoorbeeld het geval dat twee of meer personen een slachtoffer mishandelen. Ook bij een inbraak is duidelijk dat een getalsmatige meerderheid strafverzwarend zou kunnen zijn. Maar in het geval van bijvoorbeeld heling of oplichting is dit uitgangspunt discutabel: wie alleen zo’n misdrijf pleegt, doet dat intrinsiek uit zichzelf. In het geval van medeplegen is het niet onaannemelijk dat dit wel eens heel anders kan liggen, in ieder geval voor één van de deelnemers. Elementen als groepsdruk, maar ook minder voordeel uit het gepleegde misdrijf, zouden dan een rol kunnen spelen. Waar straffen vooral als doel hebben het voorkomen van recidive van de verdachte zelf (speciale preventie), het geven van een signaal naar de samenleving dat men maar beter geen misdrijven kan plegen (generale preventie) en vergelding, is de gedachte dat een medepleger van bijvoorbeeld heling misschien wel juist minder zwaar in plaats van zwaarder gestraft zou moeten worden op zijn minst verdedigbaar. In ieder geval is het automatisme in met name de richtlijnen van het Openbaar Ministerie om in geval van medeplegen zwaarder te straffen uit oogpunt van preventie of vergelding bepaald niet vanzelfsprekend.

2. Geweld/belediging van politieambtenaren strafverzwarend
Dat burgers de politie accepteren als handhavers van de openbare orde, is belangrijk. Buiten kijf staat ook dat bijvoorbeeld het brutaal aanvallen van de politie gezagsondermijnend kan zijn en op omstanders diepe indruk kan maken. Maar als in bijvoorbeeld de beslotenheid van een cellengang of een politieauto een agent wordt geslagen of beledigd, is niet in te zien waar de strafverzwaring op gebaseerd is. De gemiddelde agent is opgeleid in en voorbereid op het omgaan met moeilijke, soms agressieve mensen, heeft gevechtsvaardigheden aangeleerd, is – hoewel doorgaans niet in een cellengang – bewapend, heeft een behoorlijke conditie en heeft ook meestal collega’s in zijn nabijheid om hem te hulp te schieten. Als ik die situatie plaats naast een mishandeling van een hulpeloze burger of de situatie van een ongetrainde ambulancebroeder die wordt aangevallen, dan is sprake van ongelijke grootheden. Het laatste geval vind ik vele malen laffer en ernstiger. Ooit heb ik deze discussie gevoerd tijdens een gastles aan de Politieacademie, geen rechercheur die het toen met me eens was: het aanvallen van een getrainde agent vonden ze net zo ernstig als het aanvallen van een ongetrainde ambulancebroeder. Kennelijk is dat onder opsporingsambtenaren een diepgewortelde gedachte. Naar mijn idee is het prima dat de wet de mogelijkheid van een hogere straf biedt (bijvoorbeeld in artikel 267 en artikel 304 Sr) maar daarmee is het automatisme of in ieder geval de continue aandrang om in deze gevallen altijd maar hoger te straffen nog niet op zijn plaats. Waarbij ik in het kader van de beledigingen nog de opmerking plaats dat ik de nodige politiemensen ken die het niet in hun hoofd halen om een proces-verbaal te schrijven voor belediging en die weinig waardering hebben voor collega’s die dat wel met regelmaat doen. Waarmee ik – toegegeven, niet wetenschappelijk onderbouwd – stel dat ook onder agenten in ieder geval bij beledigingen vraagtekens geplaatst worden bij het automatisme van de strafverhoging.

3. Strafverminderende factoren LOVS
In het “Landelijk overleg vakinhoud strafrecht” (LOVS) zijn alle strafsectoren van rechtbanken en hoven verenigd. In dit overleg zijn voor de nodige misdrijven zogeheten “oriëntatiepunten” geformuleerd voor de strafoplegging. Bij de strafoplegging geldt een bepaalde straf dan als “vertrekpunt”. Bij veel misdrijven zijn daarbij onder het kopje “strafvermeerderende en strafverminderende factoren” omstandigheden opgesomd die van invloed kunnen zijn op dat vertrekpunt. Wat opvalt, is dat in de meeste tabellen alleen maar ogenschijnlijk strafvermeerderende factoren zijn opgesomd. Zo luidt het overzicht van strafvermeerderende en strafverminderende factoren bij een overval en beroving:
- kwetsbare slachtoffers
- omvang schade
- (aard en ernst) letsel
- samenwerkingsverband
- professionele werkwijze
- recidive
- soort wapen/voorwerp

Naar normaal taalgebruik is geen enkele strafverminderende omstandigheid te ontwaren. Ditzelfde gaat ook op voor de nodige andere in de LOVS-oriëntatiepunten opgenomen misdrijven. Of zou de afwezigheid van deze strafverzwarende omstandigheden een strafverminderende omstandigheid kunnen zijn? Gezien het kopje “strafverzwarende en strafverminderende factoren” en het feit dat de LOVS-oriëntatiepunten maar bitter weinig direct als zodanig te interpreteren strafverminderende factoren geeft, is daar zeker iets voor te zeggen. Anders had er immers net zo goed alleen “strafverzwarende factoren” kunnen staan. Zeker, hier valt een discussie over te voeren. Maar waar het me in deze blog om gaat is dat de vanzelfsprekendheid om ook bij de oriëntatiepunten alleen maar te denken in termen van strafverhoging, niet zo vanzelfsprekend is als velen denken.

Afsluitend
De oproep aan strafadvocaten om voortdurend kritisch te zijn is een makkelijke. Een oproep aan het Openbaar Ministerie om de richtlijnen wat minder rigide te maken en om – zeker ook bij de “standaardzaken” waarin strafbeschikkingen worden uitgevaardigd - met een meer open en genuanceerdere blik te kijken naar individuele strafdossiers gaat iets verder. Ik kan begrijpen dat dat lastig is. Het vervallen in automatismen en in mijn optiek geregeld onbegrijpelijke toepassing van strafverhogingen “omdat dat in de richtlijnen staat” zou in ieder geval bij iedere strafadvocaat op verzet moeten stuiten en elke officier zou bij zo’n debat op zijn minst dan eens goed moeten proberen uit te leggen waarom strafverhoging dan op zijn plaats is. Opdat wij het begrijpen. Te vaak echter blijft een officier in tweede termijn apathisch op zijn stoel zitten. Alsof hij de advocaat niet begrijpt. Of niet wil begrijpen. Waarmee het wantrouwen in de objectiviteit van het Openbaar Ministerie telkens weer wat toeneemt. Maar dat is wellicht iets voor een andere blog.

Posted in: Strafrecht