Swipe to the left

De vaststellingsovereenkomst: krampachtige kruisverbanden?

Print
De vaststellingsovereenkomst: krampachtige kruisverbanden?
By mr. W.E. Nent 24 juni 2019 355 keer bekeken Geen opmerkingen

De vaststellingsovereenkomst: krampachtige kruisverbanden?

Een van de meest bijzondere instrumenten die ingezet kunnen worden om een geschil tussen een belastingplichtige en de Belastingdienst te beslechten is de vaststellingsovereenkomst. Dit is een overeenkomst gebaseerd op het civiele recht (art. 7:900 BW) waarin partijen met elkaar afspreken om in een onzekere situatie een bepaald standpunt in te nemen waaraan beide partijen vervolgens verbonden zijn. De vaststellingsovereenkomst is geschikt om onzekerheden weg te nemen, de rechtszekerheid te bevorderen en een gerechtelijke procedure te voorkomen. Bovendien kan een goede vaststellingsovereenkomst leiden tot een genuanceerde uitkomst waar beide partijen baat bij hebben. Door de Vinkenslagaffaire in 2004 is de vaststellingsovereenkomst in het verdomhoekje komen te staan en is in 2008 art. 64 AWR in de wet opgenomen. Die bepaling zorgt er echter anno nu voor dat sommige inspecteurs erg voorzichtig worden bij discussies die zich goed lenen om in een compromissfeer met een vaststellingsovereenkomst op te lossen, zonder dat daar enige maatschappelijke verontwaardiging over zou kunnen ontstaan. Vinkenslag is inmiddels lang verleden tijd, maar de discussies rondom het Nederlandse rulingbeleid laten zien dat deze problematiek nog springlevend is.

Wat is een vaststellingsovereenkomst?

De Hoge Raad oordeelde op 31 oktober 1973 dat een compromis over de vaststelling van feitelijke gegevens een ‘geoorloofd hulpmiddel’ is om aan onzekerheden een eind te maken en dat in de overeenkomst besloten liggende vaststellingen in rechte bindend zijn. In 1992 oordeelde de Hoge Raad dat van een fiscaal compromis slechts sprake is indien een inspecteur en een belastingplichtige een overeenkomst hebben gesloten zoals bedoeld in art. 7:900 BW. De vaststellingsovereenkomst heeft een bijzonder karakter, omdat hierop een mengeling van privaatrechtelijke en publiekrechtelijke regels van toepassing is. De algemene beginselen van het overeenkomstenrecht zijn van toepassing.

Het is goed om te onderkennen dat er een duidelijk onderscheid is tussen een vaststellingsovereenkomst en de zogenoemde eenzijdige akkoordverklaring. De inspecteur is op basis van het vertrouwensbeginsel in beginsel gebonden aan een eenzijdige akkoordverklaring, de belastingplichtige niet. Deze mag uitgaan van een ander standpunt dan dat van de inspecteur. Zolang dat een pleitbaar standpunt is, zal daar ook geen boeterisico aan kleven. Wil de inspecteur dat ook de belastingplichtige gebonden is aan een bepaald standpunt, dan zal hij een vaststellingsovereenkomst moeten afsluiten.

De vaststellingsovereenkomst contra legem

Bindt een vaststellingsovereenkomst partijen ook indien deze (gedeeltelijk) in strijd met geldende wettelijke regelingen is afgesloten? In art. 7:902 BW wordt bepaald dat een vaststellingsovereenkomst die in strijd is met dwingend recht ook geldig is, tenzij de overeenkomst naar inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of de openbare orde. De Hoge Raad heeft beslist dat deze regel ook in het belastingrecht geldt, waarbij hij de weg van de algemene uitzondering van art. 3:40 BW bewandelt die mijns inziens feitelijk tot dezelfde conclusie leidt. Of sprake is van strijd met de goede zeden of de openbare orde is sterk afhankelijk van de maatschappelijke orde op het moment van het sluiten van de overeenkomst. Om maar een voorbeeld te geven: in het verleden kon geen rechtsgeldige vaststellingsovereenkomst worden gesloten over de termijnen waarbinnen een aanslag moet worden opgelegd; anno nu kan dat wel (behoudens voor een bestuurlijke boete). De conclusie uit de jurisprudentie en de wetgeving is dat een vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig kan worden gesloten zolang partijen bij het sluiten van de overeenkomst niet zozeer in strijd komen met hetgeen de wet bepaalt over de onderwerpen van de overeenkomst dat partijen niet op nakoming van de overeenkomst mochten rekenen. De overeenkomst moet daarbij overigens als geheel worden gezien. De enkele omstandigheid dat beide partijen beseffen dat de overeenkomst ten aanzien van een bepaald aspect een afspraak bevat die afwijkt van de wettelijke regeling, leidt niet tot de conclusie dat de gehele overeenkomst niet rechtsgeldig tot stand is gekomen.

Dit is het eerste deel van een NTFR Opinie geschreven door mr. W.E. Nent. De volledige opinie kunt u hier inzien. Deze Opinie is opgenomen in NTFR nummer 23 van 6 juni 2019 (NTFR 2019/1425).


Blijf op de hoogte van onze blogs en meer door Sdu Fiscaal te volgen op LinkedIn
Posted in: Fiscaal Recht