Swipe to the left

De vervaltermijnen van art. 7:686a lid 4 BW (ambtshalve) toepassen bij verweer?

Print
De vervaltermijnen van art. 7:686a lid 4 BW (ambtshalve) toepassen bij verweer?

In de beschikking van de Hoge Raad van 14 december 2018 gaat het om de vraag of de zéér korte vervaltermijn van art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b BW ook geldt voor een verweer of zelfstandig verzoek tegen een binnen de termijn van drie maanden ingediend verzoek. Verder is de vraag aan de orde of deze vervaltermijn van openbare orde is en daarom ambtshalve door de rechter moet worden toegepast.

Voor een verweer op grond van art. 7:673d BW geldt geen vervaltermijn

Werkgever beroept zich op de overbruggingsregeling van art. 7:673d BW, welke regeling erin voorziet dat een kleine werkgever een lagere transitievergoeding verschuldigd is mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. De vraag is of hij dit dient te doen binnen de vervaltermijn art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b BW. Ik sluit mij aan bij de opvatting dat voor een verweer op grond van art. 7:673d BW geen vervaltermijn geldt (ECLI:NL:PHR:2018:1143, r.o 4.19 e.v. ).

Onwenselijke processuele consequenties indien de vervaltermijnen wel van toepassing zouden zijn

Het uitgangspunt dat de vervaltermijn niet van toepassing is geldt volgens mij ook voor de overige verweren die betrekking hebben op de hoogte van de toekenning van de transitievergoeding. Het zou namelijk tot volstrekt zinloze en onwenselijk processuele consequenties leiden als de vervaltermijn wel van toepassing zou zijn. Werknemers zouden tot heel kort voor het verstrijken van de vervaltermijn kunnen wachten alvorens zij een verzoek tot toekenning van de transitievergoeding indienen, enkel en alleen om de werkgever te belemmeren zich (nog) te kunnen verweren. Werkgevers zouden zich als gevolg daarvan mogelijk genoodzaakt kunnen voelen verklaringen voor recht te vragen om te voorkomen dat zij in deze strategische valkuil van de werknemers stappen. Het gevolg zou zijn dat het aantal (onnodige) procedures niet afneemt maar juist toeneemt.

De vervaltermijnen gelden voor het indienen van het verzoekschrift, níét voor het voeren van verweer

Een dergelijk gevolg kan de wetgever met art. 7:868a lid 4, aanhef en onder b BW niet voor ogen hebben gehad. Het is dan ook zeer wenselijk dat de Hoge Raad deze discussie heeft beslecht (r.o. 3.6.1–3.6.3). Het Hof Amsterdam overweegt in een andere zaak dat de vervaltermijn van art. 7:686a lid 4, aanhef en onder a BW alleen betrekking heeft op de bevoegdheid tot het indienen van een verzoekschrift, niet op de mogelijkheid zich te verweren tegen een verzoek van de wederpartij (zie ECLI:NL:GHAMS:2018:4160, JAR 2018/308, m.nt N.T. Dempsey). Deze overweging geeft de kern heel treffend weer. De vervaltermijnen van art. 7:686a lid 4 BW gelden voor het indienen van het verzoekschrift, níét voor het voeren van verweer. Ook bij de andere in art. 7:686a lid 4 BW genoemde wettelijke regelingen dient dit het uitgangspunt te zijn, waarbij het naar mijn mening niet uitmaakt of het strikt genomen gaat om een verweer of een zelfstandig tegenverzoek.

Alleen ambtshalve toepassing tot bescherming van de openbare orde

Hoewel eerder het uitgangspunt was dat vervaltermijnen - in tegenstelling tot verjaringstermijnen - ambtshalve door de rechter dienen te worden toegepast, lijkt de algemene opvatting hierover wat soepeler te zijn geworden. Ik sluit mij aan bij wat De Bock hieromtrent opmerkt, namelijk dat vervaltermijnen zich slechts voor ambtshalve toepassing lenen als zij strekken tot bescherming van de openbare orde. Als de vervaltermijn slechts dient ter bescherming van belangen van partijen, moet naar de strekking en context van de regeling worden gekeken om te beoordelen of uit het oogpunt van effectieve rechtsbescherming de vervaltermijn ambtshalve dient te worden toegepast. Van een dergelijke omstandigheid kan onder andere sprake zijn als partijen zich in een ongelijke (machts)positie bevinden (ECLI:NL:PHR:2018:1143, r.o. 4.40-4.41).

Art. 7:686a lid 4 BW strekt slechts tot bescherming van belangen van partijen

De overweging van de Hoge Raad dat er geen aanleiding bestaat om art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b BW ambtshalve toe te passen lijkt mij dan ook volkomen juist (r.o. 3.8.2). Art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b BW strekt immers slechts tot bescherming van belangen van partijen. Daarbij is geen bijzonder belang van openbare orde betrokken en ook de effectieve rechtsbescherming dwingt niet tot ambtshalve toepassing van de termijn. De Bock overweegt mijns inziens dan ook terecht dat dit uitgangspunt tot gevolg heeft dat er ook geen aanleiding is om de vervaltermijn bij een verzoek om toekenning van de transitievergoeding op grond van art. 7:673 BW ambtshalve toe te passen (ECLI:NL:PHR:2018:1143, r.o. 4.67).

Werkgevers hoeven niet te vrezen dat werknemers hen een hak zullen zetten, maar oplettendheid blijft geboden!

De uitkomst van de beschikking is dat werkgevers niet hoeven te vrezen dat werknemers hen een hak zullen zetten door kort voor het einde van de vervaltermijn te verzoeken om toekenning van de transitievergoeding. De vervaltermijn is niet van toepassing op een verweer of zelfstandig tegenverzoek. Omdat de rechter de vervaltermijn van art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b BW niet ambtshalve hoeft toe te passen moeten partijen zich wel (tijdig) in de procedure op de vervaltermijn beroepen. Oplettendheid blijft dus geboden!

Deze blog is een bewerking van de annotatie van mr. dr. Alexandra Van Zanten-Baris in JAR 2019/17. Naast annotator voor Jurisprudentie Arbeidsrecht (JAR) is Alexandra Van ZAnten-Baris juridisch adviseur bij ArbeidsrechtSimpel en raadsheer-plaatsvervanger bij het Gerechtshof Amsterdam.

Meer lezen over arbeidsrecht?

Posted in: Arbeidsrecht