De zekere getuige

7 april 2017 34155 keer bekeken

“Ik weet het 100% zeker, de dader trok een vuurwapen in een panty omwikkeld”, aldus een beveiliger die kort daarvoor een winkeldief liet ontsnappen uit de zogenaamde ophoudruimte van de betreffende winkel. Toen de beveiliger zich met de winkeldief in de ophoudruimte bevond, vermoedde de beveiliger al dat hij een vuurwapen bij zich droeg, zo stelt de beveiliger zonder dit verder te onderbouwen. Op een gegeven moment zou de winkeldief volgens de beveiliger een vuurwapen uit zijn broeksband hebben getrokken, waarna hij zou zijn gevlucht. Het enige aanvullende bewijs wordt gevonden in de verklaring van een winkelmedewerker die, nadat de beveiliger haar had toegeroepen “hij heeft een vuurwapen” stelt dat zij denkt een vuurwapen bij de winkeldief te hebben gezien.

Objectieve bewijsmiddelen
Hoewel de winkel met camera’s is beveiligd, is in het gedeelte waar de vermeende bedreiging met het vuurwapen heeft plaatsgevonden, geen camera actief. Wanneer de camerabeelden uit de winkel worden bekeken, is in het geheel geen vuurwapen te zien, noch iets dat daar op lijkt. Dit terwijl op verschillende beelden de broeksband van de verdachte goed zichtbaar is. Tevens zijn een groot gedeelte van de vluchtroute en het moment van aanhouden op camerabeelden vastgelegd, en ook hierop wordt geen bevestiging voor de verklaring van de beveiliger gevonden. Bovendien wordt ook nadien het vermeende vuurwapen niet gevonden wanneer de vluchtroute wordt nagelopen.

De zekere getuige
Hoewel de Officier van Justitie van oordeel is dat uit de verklaring van de winkelmedewerker niet met zekerheid kan worden afgeleid dat zijzelf ook daadwerkelijk een vuurwapen heeft waargenomen, stelt de Officier van Justitie zich daarentegen voor wat betreft de waarneming van de beveiliger op het standpunt dat er geen enkele reden is daaraan te twijfelen. Uit de persisterende stelligheid waarmee de beveiliger stelt een vuurwapen te hebben waargenomen, zou moeten worden geconcludeerd dat zijn waarneming accuraat is, aldus de Officier van Justitie.

Voor het feit dat het vuurwapen niet op camerabeelden is vastgelegd en ook niet naderhand is gevonden, stelt de Officier van Justitie zich simpelweg op het standpunt dat het niet waarnemen van het vuurwapen op de camerabeelden dan wel het niet achteraf vinden van het vuurwapen niet wil zeggen dat het er ook niet is geweest. De laatste redenatie is op zichzelf juist, maar geeft evenwel aan dat volgens de Officier van Justitie meer bewijswaarde dient toe te komen aan de zekerheid waarmee de beveiliger stelt een vuurwapen te hebben waargenomen, dan aan de ontkenning daarvan door de verdachte welke ontkenning door objectieve gegevens zoals de camerabeelden en het niet aantreffen van een vuurwapen wordt ondersteund.

Vergissing
Dit is nu juist waar ook de schoen wringt in de hier beschreven zaak. Het geschetste scenario van de beveiliger wordt niet ondersteund, terwijl wel objectieve informatie beschikbaar is. Naar oordeel van de verdediging heeft de getuige zich dan ook vergist. In de afgelopen decennia is wel duidelijk geworden dat bij het waarnemen en herinneren van gebeurtenissen veel fout kan gaan, en getuigen zich kunnen vergissen.

In de beschreven zaak is nog van belang dat achteraf is komen vast te staan dat de verdachte aan één hand een zwarte handschoen droeg en om zijn schouder een klein zwart klein tasje. De getuigen stellen echter geen handschoen of tasje te hebben waargenomen bij de verdachte. Er is dan ook een concrete aanleiding om te veronderstellen dat de beveiliger zich heeft vergist in zijn waarneming. Hij verkeerde immers reeds op voorhand in de veronderstelling dat de verdachte een vuurwapen bij zich droeg. Toen de verdachte een onverwachte beweging maakte, kan het zeer goed zijn dat de beveiliger het zwarte van de handschoen of tas heeft opgemerkt. Hierin vond hij bevestiging voor zijn veronderstelling dat de verdachte over een vuurwapen beschikte, hetgeen hij vervolgens ook luidkeels riep. Daardoor kon de verdachte de ophoudruimte en de winkel verlaten. Dit biedt ook een verklaring voor de bijzonderheid van de verklaring dat het wapen gewikkeld zou zijn in een panty. Daarmee kan immers het stoffen karakter van hetgeen hij in werkelijkheid kan hebben waargenomen, te weten een handschoen of tas, worden verklaard.

Zekerheid en Accuratesse
Dan blijft staan dat de beveiliger stelt 100% zeker te zijn van zijn waarneming. Reden voor de verdediging om nader in te zoomen op de relatie tussen het zekerheidsoordeel van de getuige en de accuraatheid van diens verklaring. Intuïtief kan niet om het zekerheidsoordeel van de beveiliger heen worden gegaan. Zekerheid lijkt immers een belangrijke indicator voor accuratesse. “Weet je het zeker?” is in het dagelijks leven een veelgebruikte vraag om de juistheid van een bewering of herinnering te verifiëren. Ook uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat de zekerheid die een getuige zegt te hebben, de belangrijkste factor is die de geloofwaardigheid van de verklaring bepaalt.[1] In zoverre is het standpunt van de Officier van Justitie in de zojuist beschreven zaak dan ook niet vreemd.

Wanneer echter in de wetenschappelijke literatuur naar enige onderbouwing voor deze intuïtieve veronderstelling wordt gezocht blijkt dat het zekerheidsoordeel van een getuige helemaal geen betrouwbare indicator is voor de accuratesse van de verklaring. De correlatie tussen accuraatheid en zekerheid is daarvoor te laag.[2] Kennelijk zijn getuigen niet in staat om overeenkomstig de accuraatheid van hun waarneming, een zekerheidsoordeel te geven. Daaraan ligt onder meer ten grondslag dat andere factoren verantwoordelijk zijn voor de mate waarin een getuige stelt zeker te zijn van een waarneming, dan de accuratesse van die waarneming.

Zo blijken mannen bij gelijke geheugenprestaties hogere zekerheidsoordelen te geven dan vrouwen.[3] Ook de aard van de gebeurtenis is relevant. Emotionele gebeurtenissen worden vaak met een grotere mate van zekerheid en beter herinnerd dan meer neutrale gebeurtenissen. Maar wanneer er een fout wordt gemaakt in het waarnemings- en herinneringsproces ten tijde van een emotionele gebeurtenis, wordt deze foute waarneming vervolgens met dezelfde grotere mate van zekerheid herinnerd als een juiste waarneming.[4] De hogere mate van zekerheid, lijkt dus samen te hangen met de emotionele gebeurtenis zelf en niet met de accuraatheid van de waarneming.

De getuige die ten onrechte stelt zeker te zijn van zijn waarneming terwijl aan de hand van objectieve gegevens getwijfeld kan worden aan de waarneming, levert in de juridische context al de nodige problemen op. Wanneer de getuige echter een geheugenfout maakt zoals bijvoorbeeld bronverwarring, waarbij ten onrechte informatie wordt geïntegreerd en als onderdeel van die originele ervaring wordt herinnerd, levert dit nog grotere problemen op. Dergelijke geheugenfouten zijn immers moeilijk te achterhalen.

Juist het optreden van geheugenfouten door bronverwarring is de belangrijkste factor die de relatie tussen accuratesse en zekerheid negatief beïnvloedt zo volgt uit onderzoek; de getuige meent zeker te zijn van zijn waarneming terwijl zijn waarneming- en herinneringsvermogen hem in de steek laat en dit ook nog eens moeilijk valt te achterhalen. Dat mensen in algemene zin moeite hebben om echte van gesuggereerde ervaringen te onderscheiden eveneens uit wetenschappelijk onderzoek. Een onderzoek dat tot de verbeelding spreekt is een onderzoek waarin een video werd getoond aan proefpersonen waarin een gebeurtenis wel werd gesuggereerd, maar niet daadwerkelijk werd getoond. Er was bijvoorbeeld te zien dat iemand een doosje lucifers pakte, en op het volgende moment was een brandende kaars te zien terwijl ook nog een hand te zien was met een uitgebrand luciferhoutje. Proefpersonen bleken zich later deze aannemelijke, maar feitelijk niet getoonde handeling van het aansteken van de kaars met even grote zekerheid ‘te herinneren’ als de wel getoonde beelden.[5] Niet aangeboden, maar wel door de context aannemelijk gemaakte informatie, kan dan ook op een later moment ‘met zekerheid’ worden herinnerd.[6]

Conclusie
De forensische bruikbaarheid van zekerheid als indicator voor accuratesse is dan ook beperkt, terwijl we intuïtief afgaan op het zekerheidsoordeel van een getuige. Het is dan ook van belang dat de verdediging kritisch blijft wanneer aan de betreffende waarneming kan worden getwijfeld, en zich niet ook laat omverblazen door de zekerheid waarmee een getuige zegt een waarneming te hebben gedaan.



[1] Zie bijv. Penrod, S.D & B.L. Cutler (1995). Witness confidence and witness accuracy: Assessing their forensic relation. Psychology, Public Policy, and Law, 1, 817-845.

[2] Odinot, G. & G. Wolters (2006). Repeated reclall, retention interval and the accuracy-confidence relation in eyewitness memory. Applied Cognitive Psychology, 20, 973-985.

[3] Yarmey, A.D. & M.J. Yarmey (1997). Eyewitness recall and duration estimates in field settings. Journal of Applied Social Psychology, 27, 330-344.

[4] Wolters, G. & G. Odinot (2010). Zijn zekere getuigen betrouwbare getuigen? In: Koppen, P.J., M. Merkelbach, M. Jelicic, J.W. de Keijser. Reizen met mijn rechter. Deventer:Kluwer p. 529-538.

[5] GerrieM.P., L.E., Belcher & M. Garry (2006). ‘Mind the gap’: False memories for missing aspects of an event. Applied Cognitive Psychology, 20, 689-696.

[6] Wolters, G. & G. Odinot (2010). Zijn zekere getuigen betrouwbare getuigen? In: Koppen, P.J., M. Merkelbach, M. Jelicic, J.W. de Keijser. Reizen met mijn rechter. Deventer:Kluwer p. 529-538.

Opmerkingen