Swipe to the left

DNA-afname bij jeugd: maak bezwaar!

Print
DNA-afname bij jeugd: maak bezwaar!
By 21 augustus 2018 4656 keer bekeken Geen opmerkingen

Een minderjarige kan binnen 14 dagen na DNA-afname bezwaar maken conform artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: “de Wet”). Wanneer heeft het instellen van bezwaar nu een redelijke kans op succes en waar doe je dan precies een beroep op?

De Wet en de jurisprudentie
Artikel 1 van de Wet bepaalt bij welke veroordelingen DNA-afname mogelijk is. Niet alle veroordelingen rechtvaardigen een DNA-afname. Als er een geldboete is opgelegd kan dit bijvoorbeeld niet. Bij minderjarigen kan het evenmin als een andere strafrechtelijke maatregel dan de PIJ-maatregel is opgelegd. Dit staat ook expliciet opgenomen in de inleidende opmerkingen bij de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken Jeugd.

In artikel 2 van de Wet is de bevoegdheid voor de officier van justitie neergelegd. De officier van justitie kan een bevel tot het afgeven van celmateriaal geven aan een veroordeelde van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is. De wet maakt geen onderscheid tussen meerder- en minderjarigen. De Hoge Raad doet dit ook niet. Zij onderschrijft in een arrest uit 2008 dat er geen generieke uitzondering is voor minderjarigen (HR 13 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8231). Het EHRM heeft geoordeeld dat DNA-onderzoek bij minderjarigen op basis van de Wet geen schending oplevert van artikel 8 EVRM (EHRM 20 januari 2009, nr. 20689/08 (W./Netherlands)).

Artikel 2 lid 1 onder b van de Wet bepaalt dat als het “redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde, een bevel tot afname van DNA achterwege blijft.”

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat dit een uitzondering is die slechts in beperkte gevallen kan worden toegepast en uit de jurisprudentie van de rechtbanken volgt dat de uitzondering bij bepaalde (combinatie van) factoren toch wordt toegepast. Door de rechters wordt onder meer rekening gehouden met de leeftijd van de minderjarige ten tijde van het begaan van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan, de reële ernst van het feit, de mate van waarschijnlijkheid dat de minderjarige opnieuw een ernstig feit zal plegen en overige persoonlijke omstandigheden van de minderjarige. Voorts kan een positief rapport van de Raad voor de Kinderbescherming een belangrijke rol spelen bij de beoordeling. Zo oordeelde de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 20 juni 2017 (Nieuwsbrief Strafrecht 2017, 266) dat het bewezenverklaarde feit (openlijke geweldpleging) kan worden gezien als een incident, mede gelet op de leeftijd, de specifieke omstandigheden van het geval en het positieve rapport van de Raad voor de Kinderbescherming.

Het tijdsverloop tussen de veroordeling en het bevel tot afname van DNA kan ook worden betrokken bij de beoordeling. Dan kan een beroep worden gedaan op de rechtszekerheid voor de minderjarige. De Rechtbank Noord-Holland verklaarde in 2016 (Rechtbank Noord-Holland 25 januari 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:629) een bezwaarschrift gegrond, omdat tussen de veroordeling en het bevel tot afname bijna 2,5 jaar zat. De voornoemde wettelijke uitzondering en jurisprudentie kan dus in sommige gevallen een basis bieden voor het instellen van een succesvol bezwaar. Maar er is recentelijk nóg een mogelijke grondslag bijgekomen.

VN Mensenrechtencomité en Grapperhaus

In juli 2017 is een tweetal uitspraken (VN-mensenrechtencomité 18 juli 2017, nr. 2362/2013 (S.L. tegen Nederland) en nr. 2326/2013 (N.K. tegen Nederland)) gewezen door het VN- Mensenrechtencomité waaruit volgt dat een verplichte afname van DNA bij kinderen niet proportioneel is. Het automatisch afnemen en opslaan is in strijd met artikel 17 IVBPR (recht op privacy), aldus het Mensenrechtencomité. Door deze uitspraken heeft de Minister van Justitie en Veiligheid Grapperhaus in april 2018 een voornemen tot wetswijziging aan de Tweede Kamer aangekondigd. De minister wenst de wet zo te wijzigen dat geen DNA-materiaal meer wordt afgenomen bij een minderjarige die is veroordeeld tot een taakstraf tot 40 uur. Grondslag hiervoor vindt de minister in het feit dat aan een minderjarige, uit pedagogisch oogpunt, eerder een taakstraf opgelegd wordt dan een geldboete. Het ongewenste neveneffect daarvan is dat zij vaker dan meerderjarigen hun celmateriaal moeten afstaan en hun DNA-profiel daardoor vaker in de DNA-databank wordt opgeslagen. De Rechtbank Limburg heeft zich hier al eerder over uitgelaten (Rechtbank Limburg 17 oktober 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:10626). Zij heeft conform het ingestelde bezwaar van de verdediging bepaald dat het niet zo kan zijn dat een minderjarige in een nadeliger positie komt dan een meerderjarige waarbij geldboetes als oriëntatiepunten worden gegeven voor hetzelfde feit. De minister gaat zich in het kader van de nog op te stellen wetswijziging nog buigen over de kwestie of, en zo ja op welke wijze, onderscheid dient te worden gemaakt tussen first offenders en recidivisten. Voorts dient het geval waarin een meerderjarige als minderjarige is berecht, en andersom, nader bekeken te worden.

Anticiperen!
Het recht is altijd in beweging. De uitspraken van het Mensenrechtencomité schijnen een ander licht op huidige regelgeving en jurisprudentie. De minister ziet daardoor aanleiding om de wet aan te passen. Dit duurt alleen altijd even. Gelukkig hoeven wij advocaten niet stil te zitten en kunnen wij ondertussen de rechtbanken bewegen te anticiperen op deze nieuwe regelgeving. Zeker als het om een first offender gaat, is het de moeite waard dit te doen. Bij de rechtbank Limburg, locatie Roermond heeft dit reeds tot succes geleid. Welke rechtbanken volgen?

Posted in: Strafrecht