DNA in het strafrecht. Hoe móet het niet, hoe kan het wel?

DNA in het strafrecht. Hoe móet het niet, hoe kan het wel?
8 november 2019 75 keer bekeken

In de afgelopen maanden heb ik met enige verbazing kennisgenomen van de stelligheid waarmee Jaap de Groot, ex-raadsheer bij het Gerechtshof Amsterdam, enkele concrete vrijspraken van (voormalig collega-)rechters besprak voor zover ging om “DNA-bewijs”. Zo schreef hij een artikel in Expertise en Recht (uitgave 2019-4), was hij in juli te gast “BNR Juridische Zaken” en – last but not least – is het boek “DNA in het strafrecht. Hoe moet het niet? Hoe moet het wel?” van zijn hand. Bij al deze gelegenheden uit De Groot zich nogal kritisch over beslissingen van zijn collega’s. Ik zal in deze blog niet uitgebreid ingaan op deze concrete zaken, simpelweg omdat ik deze onvoldoende ken om me daar (al te) stellig over uit te laten. Want zelfs een gepubliceerd vonnis of arrest geeft doorgaans een te summiere samenvatting van het volledige, onderliggende procesdossier en hetgeen is voorgevallen tijdens het onderzoek ter terechtzitting. In deze blog zal ik vooral proberen om mijn verbazing en fundamentele onvrede onder woorden proberen te brengen over de wijze waarop en de argumentatie waarmee De Groot de beslissingen van (voormalig collega-)rechters aanvalt.

Het negatief-wettelijke bewijsstelsel: een vrijspraak is nooit onbegrijpelijk
Wat mij allereerst opvalt, bijvoorbeeld in het gesprek tussen De Groot en Van Liempt bij BNR, is dat De Groot de mening toegedaan lijkt dat in sommige gevallen het “DNA-bewijs” een dusdanig grote bewijswaarde toekomt, dat een vrijspraak onbegrijpelijk is. Die gedachte is moeilijk te rijmen met het negatief-wettelijke bewijsstelsel zoals we dat in Nederland kennen uit art. 338 Strafvordering en waarin is bepaald: “Het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft begaan, kan door den rechter slechts worden aangenomen, indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door den inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen.” Waar een veroordeling onbegrijpelijk kan zijn, geldt dat dus niet voor een vrijspraak. Er mag namelijk nog zo’n overweldigende hoeveelheid belastend bewijs zijn, bijvoorbeeld naar aanleiding van forensisch onderzoek naar biologische sporen, maar als de rechter simpelweg de overtuiging niet heeft bekomen dat de verdachte de dader is, dan kan die overtuiging niet van de rechter worden afgedwongen.

Dit neemt overigens niet weg dat mijn ervaring is dat dit wel een tamelijk hypothetische situatie is. Weliswaar wordt in het strafrecht al eeuwenlang uitgegaan van het adagium dat het beter is dat een misdrijf ongestraft wordt gelaten dan dat een onschuldige veroordeeld wordt, maar evengoed geldt volgens mij dat geen enkele rechter graag een schuldige vrijuit laat gaan. Ik moet in elk geval nog de eerste rechter tegenkomen die op lichtzinnige wijze tot een vrijspraak komt in weerwil van een overvloed aan belastend bewijs.

De nadere beschouwing van het bewijsmateriaal
Als dan toch tot een vrijspraak wordt gekomen, dan is doorgaans meer aan de hand. Zo kan in de eerste plaats worden gedacht aan de manier waarop een verdachte overkomt ter terechtzitting. Daar blijkt meestal weinig van in een vonnis of arrest, anders dan de algemene stelling dat een verklaring om een dergelijke reden wel (of niet) geloofwaardig overkomt, maar vanzelfsprekend kan dit element dat voor de buitenstaander nagenoeg onbekend blijft, van wezenlijk belang zijn voor de individuele oordeelsvorming van de rechter(s) in kwestie.

Vaak ook zal dit gepaard gaan met de constatering dat de “overvloed aan belastend bewijs” op de keper beschouwd vies tegenvalt. In elk geval daar waar het gaat om DNA-bewijs, is het veelal niet zozeer de kwantiteit van het bewijs dat van belang is. De zaken waar discussie ontstaat, zullen zich toespitsen op de kwaliteit: wat zeggen de biologische sporen over de bron en over enige activiteit ten opzichte van de goederen en omgeving waar de sporen zijn gevonden? Als namelijk monsters worden genomen op en bij de plaats delict en het biologisch (cel)materiaal van de verdachte wordt op vele plekken aangetroffen middels “DNA-matches”, dan zal een discussie over de (strafrechtelijk relevante) betrokkenheid van de verdachte bij de plaats delict niet snel in het voordeel van de verdachte worden beslecht. De zaken die echter door De Groot worden besproken, betreffen veelal de randgevallen waarbij geen sprake is van meerdere matches op meerdere locaties op de plaats delict.

Het (wettige) bewijs: DNA-bewijs is geen uitzonderlijk bewijs
Om de betekenis van die matches vervolgens op de juiste waarde te kunnen schatten, heeft De Groot vanzelfsprekend een punt als hij zegt: “wie iets wil met biologische sporen zal zich de redeneertrant en de begrippen rondom die sporen eigen moeten maken.” Tegelijkertijd durf ik wel te stellen dat de meeste (straf)rechters zich daartoe al veel moeite getroosten en dat zullen moet blijven doen. Het is niet zelden ingewikkelde materie.

Maar bij de uiteindelijke besluitvorming nemen onderzoeksresultaten betreffende biologische sporen geen uitzonderingspositie in binnen strafzaken. Dat is gewoon een vorm van bewijsmateriaal dat zijn weg in het strafproces vindt via bijvoorbeeld processen-verbaal of deskundigenverklaringen. De ietwat geringschattende vervolgopmerking van De Groot dat het “geen zin [heeft] om biologische sporen te lijf te gaan met aan het juridische discours ontleende manieren van redeneren en juridisch klinkende begrippen” lijkt mij zodoende onhoudbaar. In het licht van de eerste vraag van art. 350 Sv is het in fine nou eenmaal aan de rechter om de juridische vertaalslag te maken.

Het logische beoordelingskader daarbij is dat, nadat de rechter is geïnformeerd over de betekenis van matches (of dat nou op bron- of activiteitenniveau is) en als die niet zonder meer een gebrek aan overtuiging constateert, de rechter zich eerst de vraag stelt die hij of zij zich in élke zaak stelt: kunnen alle bestanddelen van de tenlastelegging überhaupt gedekt worden door het beschikbare bewijsmateriaal in het dossier? De beoordeling van een alternatief scenario hoeft immers niet aan de orde te komen als die vraag negatief beantwoord wordt.

De beoordeling van alternatieve scenario’s
Het is op het moment dat die vraag positief beantwoord wordt, dat De Groot mijns inziens een fundamenteel verkeerde weg inslaat. Hij stelt dat de verdachte “met een verhaal [moet] komen dat (…) in beginsel controleerbaar is” en dat “wil het verhaal processueel een rol gaan spelen, de rechter aan de verdachte [moet] opdragen om zijn verhaal aannemelijk te maken en vervolgens aan het OM een opdracht tot controle geven.” In het licht van de bewijslastverdeling die in het bijzonder voortvloeit uit de onschuldpresumptie, kan in voorkomende gevallen weliswaar van de verdachte worden gevraagd om de bewijsvoeringslast te dragen door een verklaring te geven, maar niet gevraagd kan worden om het bewijsrisico te dragen. Dat kan ook niet onder verwijzing naar procesrechten die in de loop der tijd door het EVRM (en het EHRM) zijn toegekend. Die dienen ter versteviging van de positie van de verdachte zodat die – niettegenstaande het voorgaande – zijn onschuld zelf kan trachten te onderbouwen als gelijkwaardige procespartij. Maar die maken de bewijslastverdeling niet ten principale anders en het zou zelfs ronduit kwalijk zijn als die mensenrechtelijke bescherming van het individu, zich de facto tegen datzelfde individu zou keren.

Als een verklaring is afgelegd, is het aan het Openbaar Ministerie (of de rechter) om die verklaring te falsifiëren. Dit is pas anders als van die verklaring op voorhand zou kunnen worden gesteld dat die “niet aannemelijk” – of beter gezegd: “onaannemelijk” – is geworden of dat die (zeer) ongeloofwaardig of (hoogst) onwaarschijnlijk is. Zo niet, dan blijft twijfel mogelijk die – in dubio pro reo – in het voordeel van de verdachte moet worden uitgelegd. Het spreekt eigenlijk voor zich dat die twijfel niet minder wordt als sprake is van een oncontroleerbare verklaring omdat die verklaring evengoed conform de waarheid kan zijn. Nog los daarvan moet overigens niet te snel worden gesproken van een oncontroleerbare verklaring gezien de talloze tactische én technische onderzoeksmogelijkheden van de recherche; mogelijkheden die een (doorsnee) verdachte over het algemeen niet tot zijn beschikking heeft.

Een verklaring van een verdachte die relevant is in het licht van DNA-bewijs hoeft daarbij niet op een andere (juridische) behandeling te rekenen. Zo bezien is de rechterlijke overweging dat de verklaring van de verdachte “onvoldoende wordt uitgesloten”, weliswaar erg compact te noemen, maar betreft dit geenszins een criterium dat zonder meer verkeerd is.

Afronding met toch één concreet voorbeeld
Ik zou graag willen afronden met een voorbeeld om het voorgaande te illustreren. De Groot gaat in zijn artikel voor Expertise en Recht onder meer in op de zaak ‘Schroevendraaier’. Als we die zaak langs voornoemde lijn leggen, lijkt die vrijspraak mij juist niet verbazingwekkend. De zaak is – kernachtig – als volgt.

Op een schroevendraaier die bij een inbraak is gevonden en onderzocht is door het NFI, wordt celmateriaal van verdachte X aangetroffen. Op een tevens aangetroffen breekijzer en bouwsleutel wordt (kennelijk) geen celmateriaal van X aangetroffen. X stelt dat hij veel aan brommers klust en werkt met talloze schroevendraaiers. Die verklaring is summier en weinig concreet, aldus de rechtbank. Tegelijkertijd kan men zich afvragen wat een onschuldige klusser, wiens gereedschap bij een inbraak is gebruikt zonder dat hij het zelf weet, méér zou kunnen verklaren.

De rechtbank vervolgt mijns inziens dan ook logischerwijs dat de ontkennende verklaring van de verdachte, onvoldoende kan worden uitgesloten bij gebreke aan andersluidende onderzoeksresultaten. Immers, aanwijzingen dat zijn verklaring ongeloofwaardig of onwaarschijnlijk is, ontbreken in het geheel. Het feit dat enkel het celmateriaal van X wordt aangetroffen, is evenmin een aanwijzing dat zijn verklaring niet aannemelijk is geworden. Allereerst blijft namelijk staan dat niets vastgesteld kan worden over het exacte tijdstip waarop het celmateriaal van de verdachte op de schroevendraaier is gekomen. Hij zegt bijvoorbeeld niet: jaren geleden werkte ik met talloze schroevendraaiers, in welk geval allicht gezegd zou kunnen worden dat elk temporeel verband ontbreekt gelet op de afbraak van DNA in de loop der tijd. Integendeel, de verklaring lijkt mij juist aannemelijk omdat een inbreker handschoenen gebruikt, waardoor dus niet (zonder meer) geconcludeerd kan worden dat “in combinatie met de bevindingen van de FO het aanzienlijk waarschijnlijker [is] dat X die schroevendraaier vasthield ten tijde van het delict dan dat een ander dat deed” – waarbij de indruk die X mogelijk met zijn verklaring heeft gemaakt op de rechters die hem vrijspraken nog niet eens is meegenomen.

Het is niet dat het zo moet, maar zo kan het wel…