Swipe to the left

​​DNA is geen harde wiskunde: het belang van piekenprofielen

Print
​​DNA is geen harde wiskunde: het belang van piekenprofielen
By 16 mei 2019 20841 keer bekeken Geen opmerkingen

In de juristerij leeft de opvatting dat DNA hard bewijs is. Onder omstandigheden is dat juist. Als er bloed wordt aangetroffen op een dressoir in de woonkamer, terwijl vast staat dat de inbreker bij het inslaan van het raam gewond is geraakt, heeft de 100% met dat bloedspoor matchende verdachte op zijn zachtst gezegd wel iets uit te leggen. Doet hij dat niet of zwijgt hij zelfs, dan zal de rechter – al dan niet op basis van de Murray-jurisprudentie – tot een bewezenverklaring komen. Minder eenvoudig wordt het voor de rechter wanneer er geen bloed maar ander materiaal, bijvoorbeeld huidepitheel, is achtergelaten op het dressoir. Kun je dan nog wel stellig zeggen dat de verdachte in die woning aanwezig moet zijn geweest? Nee, dat kan niet. Hij kan de werkelijke inbreker kort voor tijd een hand hebben gegeven (secundaire overdracht) of kan bijvoorbeeld een handschoen hebben vastgehad die de werkelijke inbreker droeg.

Onderscheid tussen onderzoek op bron- en activiteitenniveau

Dit simpele voorbeeld laat het belang zien om het onderzoek op bronniveau (van wie kan het spoor afkomstig zijn) te onderscheiden van het onderzoek op activiteitenniveau (op welke wijze kan het spoor zijn achtergelaten). In de regel laten rechters zich door deskundigen informeren over de vraag van wie het spoor afkomstig zou kunnen zijn. DNA-deskundigen rapporteren doorgaans middels de Bayesiaanse methode. Dat is – kort gezegd – het denken in kansen. Hoewel er óók deskundigen zijn die menen dat de Bayesiaanse methode als tool kan worden gebruikt voor de gehele beoordeling van een complexe strafzaak, lijken rechters hierin niet mee te willen gaan. Niet tornen aan de rechterlijke beoordelingsvrijheid, lijkt de gedachte. De rechtbank Zeeland-West-Brabant overwoog dat ‘(…) de vraag of een tenlastegelegd feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, (…) geen vraag [is] die zich leent voor kansrekening.’ (Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23 mei 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:3060).

Onderzoek op bronniveau

Ik wil in deze blog stilstaan bij dat eerste onderzoek, het onderzoek op bronniveau. Waarom? Omdat ik het idee heb dat ten onrechte onvoldoende kritisch naar de verkregen deskundigenrapporten wordt gekeken. Te makkelijk wordt aangenomen dat datgene wat de DNA-deskundige heeft opgeschreven niet vatbaar is voor enige discussie. Te makkelijk wordt genoegen genomen met het vereenvoudigde rapport dat in bepaalde zaken simpelweg onvolledig en onvoldoende transparant is.

In een rechtsstaat als de onze moet het voor alle procesdeelnemers duidelijk zijn op basis van welke onderliggende stukken tot een waarschijnlijkheidsuitspraak wordt gekomen om die uitspraak vervolgens daadwerkelijk op waarde te kunnen schatten. En die duidelijkheid kan heel makkelijk worden geboden, namelijk door voeging van de piekenprofielen aan het procesdossier.

Van spoor tot piekenprofiel

Aan de basis van een piekenprofiel ligt het sporenonderzoek. Een stuk van overtuiging (svo) wordt bemonsterd en een mogelijk delict gerelateerd spoor wordt veiliggesteld. Uit dit spoor wordt het DNA geïsoleerd. Dit DNA-isolaat wordt vervolgens (middels PCR) vermeerderd, waarna met behulp van diverse DNA-kits verschillende piekenprofielen tot stand komen. In het meest gunstige geval is er veel DNA voorhanden. Maar ook als er slechts weinig DNA is aangetroffen, kan DNA-onderzoek worden verricht. Dit wordt het Low Copy Number-onderzoek (LCN-onderzoek) genoemd. Aan dit onderzoek kleven de nodige gebreken, zoals Aben helder beschrijft:

‘De toepassing van de al genoemde LCN-methoden kan resulteren in het aanschouwelijk maken van DNA-kenmerken die in werkelijkheid niet in het onderzochte celmateriaal aanwezig waren (zoals ‘stutter-peaks’), c.q. niet afkomstig waren van potentiële bronnen maar door bijvoorbeeld contaminatie zijn opgedaan (‘allele drop-in’), dan wel in het onzichtbaar laten van DNA-kenmerken die in werkelijkheid wél aanwezig waren in het onderzochte celmateriaal (‘allele drop-out’). Het is daardoor vaak niet goed mogelijk om betrouwbare uitspraken te doen over de aan- of afwezigheid van bepaalde DNA-kenmerken, en over het aantal contribuanten aan het mengsel, laat staan om een individueel DNA-profiel af te leiden uit de onderzoeksresultaten.’

Subjectieve interpretatie

De DNA-deskundige analyseert de tot stand gekomen piekenprofielen. Die analyse betreft dus een subjectieve interpretatie. Dat is iets om scherp voor ogen te houden. Men dient die analyse dan ook kritisch te beoordelen. Is een piek wel terecht als een DNA-kenmerk aangenomen? Is een DNA-kenmerk reproduceerbaar (komt deze bijvoorbeeld óók naar voren in één van de andere piekenprofielen) en zo niet, wat zegt dat over de betrouwbaarheid? Is er een verschil in piekhoogten tussen de aangetroffen DNA-kenmerken en zo ja, wat zegt dat over het aantal DNA-kenmerken en/of het aantal donoren (is er wel sprake van een enkelvoudig profiel of toch een mengprofiel)? Welke loci zijn met behulp van de DNA-kits onderzocht en kunnen nog meer loci onderzocht worden? En misschien wel dé belangrijkste vraag: Laat de complexiteit, hoeveelheid en kwaliteit van het DNA-materiaal het toe om een waarschijnlijkheidsuitspraak te doen?

Dat DNA-onderzoek multi-interpretabel is, wordt onderstreept door wetenschappelijk onderzoek waarbij DNA-deskundigen uit verschillende landen op basis van dezelfde casus en dezelfde daarbij behorende DNA-profielen tot sterk afwijkende conclusies aangaande interpretatie van de desbetreffende DNA-mengprofielen zijn gekomen. Zo is de verdachte in het ene rapport op bronniveau categorisch uitgesloten als donor van DNA in een DNA-mengprofiel, in een ander rapport is de verdachte weldegelijk als donor in diezelfde bemonstering aangeduid én is een voor hem zeer belastende likelihood ratio (LR) berekend.

Ik zeg niet dat de uitkomst van een DNA-rapport een loterij is, maar we moeten ons wel beseffen dat een conclusie niet meer is dan een subjectieve interpretatie én dat een andere DNA-deskundige tot een geheel andere interpretatie kan komen. Onder omstandigheden kan het dan ook van belang zijn om te achterhalen van welke informatie de DNA-deskundige op de hoogte was alvorens hij tot zijn analyse kwam. Het gevaar bestaat immers dat sneller tot een herkenning van de verdachte wordt gekomen wanneer de DNA-deskundige van alle ins & outs van de zaak op de hoogte is gebracht. Juist wanneer de interpretaties van verschillende DNA-deskundigen uiteenlopen, zou het zinvol zijn hier aandacht aan te besteden.

Vereenvoudigd rapporteren

Als eerder gezegd, wordt in de praktijk veelal – in ieder geval door het NFI – volstaan met het uitbrengen van een vereenvoudigd DNA-rapport. Simpel gezegd, staat er dan een naam van een betrokkene met daarnaast een berekende matchkans. Bij mengprofielen ligt het iets anders. Zijn de DNA-kenmerken terug te voeren op de referenten, dan worden die referenten genoemd in combinatie met een berekende matchkans. Zijn er DNA-kenmerken aangetroffen die niet voorkomen bij de referenten, dan wordt aangegeven dat er DNA-kenmerken van minimaal één onbekende persoon zijn aangetroffen.

Door de vereenvoudigde wijze van rapporteren, is het voor de lezers van een DNA-rapport veelal niet duidelijk welke DNA-kenmerken in het spoor zijn aangetroffen, welke DNA-kenmerken overeenkomen met het DNA-profiel van de verdachte, welke DNA-kenmerken juist niet overeenkomen met het DNA-profiel van de verdachte én op welke wijze de in het vereenvoudigd rapport genoemde berekening tot stand is gekomen.
Reeds in 2011 is er naar aanleiding van de Schiedammer Parkmoord kritiek geuit op het onvermeld laten van de aanwezigheid van ‘vreemde’ DNA-kenmerken, dat wil zeggen: kenmerken die niet overeenkomen met de gebruikte referentieprofielen. Als dergelijke vreemde DNA-kenmerken op meerdere misdrijfgerelateerde sporen naar voren komen, dan kunnen deze elkaar versterken en is het aannemelijk dat deze op dezelfde bron zijn terug te voeren.

Wat mij zelf nogal heeft verbaasd, is de wijze waarop de (statistische) berekeningen worden uitgevoerd en dus de bewijskracht wordt berekend. Dat gebeurt met een programma, genaamd: LR Mix Studio. Kennelijk kun je allerlei variabelen instellen bij dit programma. Eén van die variabelen is de zogenaamde drop-out probability. Bij een standaard drop-out probability van 0.1 houdt het programma er rekening mee dat 10% van de DNA-kenmerken van een bepaalde persoon kan zijn weggevallen uit de DNA-profielen die zijn verkregen van een bepaalde bemonstering. Hoe hoger de drop-out probability, des te minder overeenkomende DNA-kenmerken zijn vereist. Anders gezegd: hoe hoger de drop-out probability, hoe groter de kans op een match én dus – als we dit doortrekken – hoe groter de kans op een veroordeling. Die instellingen van het LR Mix Studio-programma zijn naar mijn mening dan ook wezenlijk van belang om het DNA-rapport op waarde te kunnen schatten.

Slot

Rechters laten zich door deskundigen informeren over de vraag wie als donor aan een spoor kan hebben bijgedragen (het onderzoek op bronniveau). Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat DNA-deskundigen op basis van dezelfde casus én hetzelfde materiaal zeer verschillend kunnen oordelen. Een conclusie van een DNA-deskundige blijft een subjectieve interpretatie. Een interpretatie die niet te makkelijk als zoete koek geslikt dient te worden.

Duidelijkheid en transparantie over de verkregen resultaten én de interpretatie daarvan kunnen heel makkelijk worden verkregen door verstrekking van de piekenprofielen. Met het oog op een eerlijk proces, maar óók met oog op de waarheidsvinding, moeten naar mijn mening de piekenprofielen zonder meer onderdeel uitmaken van het procesdossier, doch in ieder geval (op verzoek) aan de verdediging te worden verstrekt, opdat de benodigde duidelijkheid wordt verschaft over de vraag op welke wijze de DNA-deskundige tot zijn oordeel is gekomen. Alsdan bestaat ook de mogelijkheid om een oordeel te vragen aan een andere deskundige. DNA is namelijk, zoals gezegd, geen harde wiskunde.

Meer lezen van Daan Cornelissen?


Posted in: Strafrecht