Swipe to the left

Onderzoek ontbindingspraktijk WWZ 2015-2018: van een vast ‘muizengaatje’ naar een nog vaster ‘konijnenhol’

Print
Onderzoek ontbindingspraktijk WWZ 2015-2018: van een vast ‘muizengaatje’ naar een nog vaster ‘konijnenhol’
By prof. mr. A.R. Houweling, mr. dr. P. Kruit, mr. I.H. Kersten 16 oktober 2018 12496 keer bekeken Geen opmerkingen

Is het ontslagrecht verstard na de invoering van de Wet werk en zekerheid (WWZ)? Deze vraag beheerste het parlementaire debat na de invoering van het nieuwe ontslagrecht per 1 juli 2015. De rechter zou niet tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst (kunnen) overgaan omdat niet aan alle elementen van een ontslaggrond is voldaan, terwijl voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet redelijk is. Tijdschrift Arbeidsrechtpraktijk (TAP) publiceerde onlangs het WWZ-evaluatieonderzoek 2015-2018 waarin onderzoekers Ruben Houweling, Pascal Kruit en Ilse Kersten uitzochten: 1) hoeveel ontbindingsverzoeken per ontslaggrond zijn toe- en afgewezen én 2) hoe vaak een billijke vergoeding is toegewezen (en hoe hoog deze vergoeding dan was). Sdu blog deelt de meest opvallende bevindingen.

Hoeveel ontbindingsverzoeken per ontslaggrond zijn toe- en afgewezen in 2015-2018?

  • Sinds de invoering van de WWZ wordt jaarlijks gemiddeld 36% van de ontbindingsverzoeken afgewezen. Voor de WWZ was dit gemiddeld 9%. Drie jaar na de inwerkingtreding van de WWZ kan dus worden geconcludeerd dat vier keer zoveel afwijzingen plaatsvinden ten opzichte van de pre-WWZ-periode.
  • De d-grond (disfunctioneren) is de minst kansrijke ontslaggrond. In 72% van de gevallen waarin de d-grond is aangevoerd, is niet of niet op die grond ontbonden.
  • De g-grond (verstoorde arbeidsrelatie) is de meest kansrijke ontbindingsgrond. 51% van de toegewezen ontbindingsverzoeken is gedaan op basis van de g-grond.
  • Opvallend is ook dat de h-grond (andere omstandigheden) bezig is aan een opmars, steeds meer ontbindingsverzoeken worden toegewezen op basis van deze ontslaggrond.

Hoeveel billijke vergoedingen zijn toegewezen in 2015-2018 en hoe hoog was dan de vergoeding?

  • Sinds de invoering van de WWZ wordt jaarlijks gemiddeld in 19% van het aantal ontbindingsverzoeken een billijke vergoeding ex artikel 7:671b BW toegekend.
  • Het percentage toegewezen billijke vergoedingen ex artikel 7:671b BW is over de afgelopen drie jaren sterk gestegen.
  • De hoogte van de billijke vergoeding ex artikel 7:671b BW is ook sterk gestegen. Zo bedroeg de gemiddeld toegekende billijke vergoeding ex artikel 7:671b BW in de gepubliceerde rechtspraak in de periode van 1 juli 2015 tot 1 juli 2016 € 31.522 (1,40 mnd/dj) ten opzichte van € 67.838 (3,40 mnd/dj) in de periode van 1 juli 2017 tot 1 juli 2018.
  • Met name de periode 1 juli 2017 tot 1 juli 2018 laat een sterk stijgend beeld zien in de toekenning van billijke vergoedingen. Mogelijk dat de New Hairstyle-beschikking van de Hoge Raad (30 juni 2017) hier invloed op heeft gehad.
  • Anders dan bij het aantal toe- en afwijzingen van ontbindingen (b)lijkt de gepubliceerde rechtspraak geen betrouwbaar beeld te geven van het aantal toe- en afwijzingen van de billijke vergoeding, alsmede de hoogte daarvan. De gepubliceerde rechtspraak laat een vertekend – want te hoog – beeld zien (een gemiddelde van 19% toewijzing versus 13% toewijzing en 2,2 mnd/dj versus 1,2 mnd/dj).

Lees het volledige artikel in Tijdschrift Arbeidsrechtpraktijk

Benieuwd naar het volledige onderzoek inclusief de onderzoeksdata? Download dan gratis via deze link het volledige Evaluatieonderzoek ontbindingspraktijk WWZ 2015-2018.

Meer weten over Tijdschrift Arbeidsrechtpraktijk?

Neem dan een kijkje op onze website: www.sdu.nl/tap.


Posted in: Arbeidsrecht