Fiscale rechtvaardigheid versus respect voor de wetgever

Fiscale rechtvaardigheid versus respect voor de wetgever
24 juni 2019 633 keer bekeken

Op vrijdag 14 juni 2019 heeft de Hoge Raad een zestal arresten gewezen over de vermogensrendementsheffing betreffende de jaren 2013 en 2014, waarnaar reikhalzend is uitgezien. Centraal staat de vraag of in de betreffende jaren de box 3-heffing in strijd is met het eigendomsrecht zoals dit wordt beschermd door art. 1 EP (bij het EVRM). Het oordeel van de Hoge Raad komt wat mij betreft niet als een verrassing; de verwachtingen waren dienaangaande over het algemeen ook niet hooggespannen.

Ons hoogste rechtscollege maakt een duidelijk onderscheid tussen een inbreuk op genoemd verdragsartikel op stelselniveau en een inbreuk op het individuele niveau van de belastingplichtige. Wat betreft het stelselniveau geeft de Hoge Raad de wetgever een duidelijke tik op de vingers. Hij oordeelt dat voor de jaren 2013 en 2014 op stelselniveau het eertijds door de wetgever in het forfaitaire stelsel van box 3 voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4% niet meer haalbaar was voor belastingplichtigen zonder daar (veel) risico voor te hoeven nemen. Ofwel: de wetgever is in de betreffende jaren nalatig geweest wat betreft het veranderen van het wettelijke systeem door dit meer te laten aansluiten bij de beleggingsrealiteit. Dat kan de staatssecretaris zich aantrekken, maar ook de Tweede en Eerste Kamer. De grote hoeveelheid publiciteit die deze procedures heeft begeleid, als uitlaatklep voor maatschappelijk onbehagen en onbegrip bij deze wettelijke regeling, was dus terecht.

Vervolgens bewaakt de Hoge Raad echter zorgvuldig de grenzen tussen de rechtsprekende en de wetgevende macht. De wet moet worden veranderd, maar het is niet aan ons hoogste rechtscollege om dat te doen. Een dergelijke wetswijziging is onderhevig aan allerlei politieke afwegingen; het hedendaagse politiek versplinterde landschap maakt zo’n wetswijziging uitermate ingewikkeld. Hij dient zich daar verre van te houden. Ofwel, in de bewoordingen van de Hoge Raad: ‘Met een dergelijke schending op stelselniveau gaat een rechtstekort gepaard waarin niet kan worden voorzien zonder op stelselniveau keuzes te maken. Deze keuzes zijn niet voldoende uit het stelsel van de wet af te leiden. Dan past de rechter ten opzichte van de wetgever terughoudendheid bij het voorzien in zo’n rechtstekort op stelselniveau.’ Dit leidt tot de conclusie: de belastingplichtige heeft wel gelijk, maar krijgt het uiteindelijk niet. Wrang en onbevredigend, maar dit is in zijn uiterste consequentie het gevolg van het Nederlandse rechtssysteem. Zouden wij in Nederland een constitutionele rechter hebben, dan zou deze mogelijk wél zelf in het rechtstekort voorzien, maar een dergelijke rechter kennen we in Nederland niet.

Dit is het eerste deel van een NTFR Opinie geschreven door prof.mr. G.T.K. Meussen. De volledige opinie kunt u hier inzien. Deze Opinie is opgenomen in NTFR nummer 25 (NTFR 2019/1543).


Blijf op de hoogte van onze blogs en meer door Sdu Fiscaal te volgen op LinkedIn
Opmerkingen