Swipe to the left

Geef mij de feiten, maar wel een beetje snel graag

Print

Het rechtsmiddel hoger beroep is onder meer bedoeld om fouten en omissies in eerste aanleg te verhelpen. Waar een getuige bijvoorbeeld in eerste instantie ten onrechte niet is gehoord dan wel niet de door de verdediging kon worden ondervraagd (al of niet ter zitting), kan de hogere feitenrechter daarvoor alsnog zorgdragen. Het hof Den Haag heeft onlangs belangwekkende overwegingen gewijd aan die verhouding tussen beide instanties (Hof Den Haag 4 mei 2016, NbSr 2016/179).

In een zaak met een looptijd van inmiddels 10 (zegge: tien!) jaar verzucht het hof ‘dat het geen uitzondering meer is dat getuigen pas in hoger beroep voor het eerst moeten worden opgeroepen, terwijl er alle reden was voor de verdediging of het openbaar ministerie dan wel de rechter in eerste aanleg (ambtshalve) de getuigen te doen horen.’ Dat is zeer onwenselijk omdat daarmee, aldus het hof, het systeem van het voortbouwend appel wordt uitgehold en de waarheidsvinding hiermee niet gediend is. Ook druist dit in tegen het recht van de verdachte op een eerlijk proces en in dat verband speelt natuurlijk ook artikel 6 (lid 3) EVRM een belangrijke rol. Ik voeg hieraan nog toe dat rechtspleging met het oog op de efficiëntie als het even kan daar zou moeten plaatsvinden waar dat tegen de minste kosten kan. En de hogere rechter is nu eenmaal duurder dan de lagere rechter (daar zit in ieder geval een schaal tussen).


Efficiënte waarheidsvinding
Met juistheid overweegt het hof in mijn ogen dan ook dat er ‘veel voor [is] te zeggen dat het horen van getuigen en het doen van onderzoek zich in beginsel zou moeten beperken tot de eerste aanleg waar getuigen vrij snel na het voorval kunnen worden gehoord en getuigenverhoor in hoger beroep in beginsel slechts plaatsvindt in gevallen waarbij zich bijvoorbeeld een nieuwe omstandigheid heeft voorgedaan en waarbij een getuigenverhoor in het belang van partijen en de waarheidsvinding dan ook gewenst is.’ Daarbij legt het hof de verantwoordelijkheid daarvoor niet alleen bij de verdachte en het openbaar ministerie, maar ook bij de eerste- en tweedelijnsrechter. Het is mede de feitenrechter die voldoende oog moet hebben voor een ‘rechtens verantwoorde waarheidsvinding’.

In het onderhavige geval had de appelrechter tot tweemaal toe het horen van het slachtoffer als getuige tegengehouden, steeds met slagende beroepen in cassatie tot gevolg (dank u, hof Amsterdam). Dat verklaart ook waarom er tien jaren konden verstrijken zonder dat de zaak onherroepelijk was afgedaan. Het Haagse hof heeft – als vierde feitelijke instantie en als zesde college dat zich over de zaak heeft gebogen – tevergeefs nog gepoogd om de in Australië woonachtige getuige te telehoren. Maar die had daarin geen trek meer en de Australische autoriteiten zagen in het gebrek aan ernst van de zaak (het ging om de verduistering van een portemonnee met inhoud op Schiphol) en de status van de getuige als slachtoffer goede redenen om hem daartoe niet te dwingen. Het is niet gek dat het hof in deze omstandigheden de stekker uit de zaak heeft getrokken en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk heeft verklaard – overigens ook op eigen verzoek. Van een eerlijk proces kon geen sprake meer zijn. Opgemerkt moet worden dat die beslissing nadrukkelijk niet is gestoeld op het overschrijden van de redelijke termijn, want dat mag van de Hoge Raad immers niet. Dat is een aanpak die we bij feitenrechters wel vaker zien. Kinderrechters betrekken daarbij dan ook nog wel dat na al die tijd een pedagogisch effect van een strafrechtelijke reactie nihil is en verdere vervolging strijdig is met de rechten van het kind (zie bijvoorbeeld al Rb Arnhem 25 september 2012, NbSr 2013/42 en Rb Amsterdam 21 november 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:9468 en 9469, alsmede Rb Noord-Holland 16 juli 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:9991).

Hoger beroep is er niet om de procedure in eerste aanleg nog eens dunnetjes over te doen. Met het voortbouwend appel is dat nog sterker ingebed in ons wettelijke systeem. Dat neemt evenwel niet weg dat de Hoge Raad nog steeds van oordeel is dat in hoger beroep in beginsel een volledig nieuw onderzoek van de zaak plaatsvindt, hetgeen meebrengt dat in die fase in eerste aanleg begane verzuimen en vergissingen kunnen worden hersteld, en nader bekend geworden gegevens bij het onderzoek kunnen worden betrokken (HR 18 september 2012, NJ 2012/671 en HR 1 april 1997, NJ 1998/287). Ook in het kader van Modernisering Wetboek van Strafvordering blijft het mogelijk een volledig nieuwe behandeling van de zaak te verlangen, ondanks dat wordt voortgebouwd op de behandeling in eerste aanleg en punten waarover geen discussie bestaat niet zonder noodzaak worden overgedaan. Niettemin is de rechtspleging erbij gebaat dat het onderzoek naar de feiten zo volledig mogelijk in eerste aanleg geschiedt. Dat is gelukkig ook de insteek van het nieuwe wetboek (of dat dan zoveel mogelijk in het voorbereidend onderzoek moet gebeuren en dus buiten de terechtzitting om, is een heel ander verhaal).

Er valt daarom veel voor te zeggen dat partijen erop (kunnen) worden afgerekend als pas in hoger beroep om bepaald (getuigen)onderzoek wordt gevraagd. In het huidige hoger beroep worden nieuwe getuigenverzoeken van de verdediging in de regel beoordeeld aan de hand van het verdedigingsbelang en datzelfde geldt voor meegebrachte getuigen op verzoek van het openbaar ministerie of de verdediging. Dat komt neer op een ‘ja, tenzij’. Als we echt werk willen maken van een efficiëntieslag worden die verzoeken kritischer bekeken als een plausibele uitleg uitblijft waarom zij niet eerder gedaan zijn of hadden kunnen worden. Dat neemt niet weg dat ook de zittingsrechter vroeg zijn verantwoordelijkheid moet nemen en zich zelfstandig moet afvragen of het niet goed is dat bepaalde getuigen gewoon door hem worden gehoord (of in ieder geval door de rechter-commissaris).

Slot
Fouten en omissies herstellen is een belangrijke reden waarom hoger beroep bestaat. Op basis van een zorgvuldig onderzoek naar de feiten moet uiteindelijk steeds de juiste beslissing genomen (kunnen) worden. Maar dat wil niet zeggen dat partijen – en dan met name de verdediging – daarop zonder meer en redelijk risicoloos moeten kunnen terugvallen. Uitgangspunt moet zijn dat de feiten zo veel als mogelijk in eerste aanleg vergaard worden en dat berechting in hoger beroep alleen bij (hoge) uitzondering daarop nog een aanvulling is. Alle betrokkenen in het geding zouden zich daarvan vanaf het eerste moment bewust van moeten zijn.

Posted in: Strafrecht