Swipe to the left

Geen loon na terecht ontslag op staande voet

Print
Geen loon na terecht ontslag op staande voet

Deze blog behandelt een recente en wederom baanbrekende uitspraak van de Hoge Raad, gewezen op 13 juli (ECLI:NL:HR:2018:1209). Na Decor (JAR 2018/72), Meriant (JAR 2018/16) en Dräger (JAR 2018/109) de vierde in een tijdsbestek van iets meer dan een half jaar tijd. Waarom is deze uitspraak nu zo baanbrekend?

Net als in Dräger gaat de Hoge Raad grotendeels voorbij aan de kern van het betoog van de Advocaat-Generaal. Die meent dat aanspraak bestaat op loon na een in hoger beroep vernietigde beschikking van de kantonrechter omdat anders “de beslissing van de kantonrechter tot vernietiging van het ontslag op staande voet – als gevolg waarvan de arbeidsovereenkomst is blijven doorlopen – inhoudsloos is gemaakt.” Men kan zich in algemene zin afvragen of dit nu juist niet een van de belangrijkste functies is van appel: gerechtshoven bekrachtigen of vernietigen uitspraken in eerste aanleg. In dat laatste geval worden die (inderdaad) inhoudsloos vanwege het simpele gegeven dat deze uitspraken vanwege die vernietiging geacht worden niet meer te bestaan. Complicatie in casu is echter dat, als het hof de beschikking van de kantonrechter (deels) vernietigt, de arbeidsovereenkomst nog steeds bestaat. Dat is het gevolg van (de parlementaire geschiedenis van) artikel 7:683 lid 6 BW.

Staande voet geen dode letter

Met zijn oordeel heeft de Hoge Raad naar mijn mening voorkomen dat het ontslag op staande voet zou zijn verworden tot een de facto dode wetsbepaling in het Burgerlijk Wetboek. Immers, welke werkgever zou nog begrijpen dat er, ondanks een in hoger beroep geldig gebleken ontslag, toch nog loon zou moeten worden betaald over de (in de praktijk vaak maandenlange, in casu zelfs een kleine 20 maanden) periode tussen dit ontslag en de beslissing van het gerechtshof? Een werknemer zou in dat geval bovendien weinig te verliezen hebben bij een procedure in hoger beroep: ook als hij die verliest en het ontslag toch geldig wordt geoordeeld, krijgt hij zijn loon tot aan de ontslagdatum. Dit komt niet rechtvaardig voor, vooral niet omdat een naar blijkt geldig ontslag op staande voet in de praktijk bijna zonder uitzondering betekent dat de werknemer zich ernstig verwijtbaar richting werkgever heeft opgesteld. De route van ontbinding zou – had de Hoge Raad in casu het werknemersstandpunt gevolgd – dan voortaan bijna per definitie meer voor de hand liggen.

Negeren uitspraak kantonrechter?

Onderhavige uitspraak brengt mij voorts op de volgende gedachte: de Hoge Raad overweegt (r.o 3.10.2) uitdrukkelijk dat bij zijn beslissing “wordt verondersteld dat de werknemer zich tot het verrichten van arbeid bereid heeft verklaard, maar niet tot het werk is toegelaten, ook niet na de beslissing in eerste aanleg.” Deze situatie werkt voor de praktijk in de hand dat het voor een werkgever “loont” om een rechtelijke uitspraak te negeren. De AG noemt dit ook – zie hierboven – als een belangrijk argument voor haar opvatting dat wel aanspraak op loon bestaat. De Hoge Raad onderkent dit – op zichzelf inherent onwenselijke gegeven – door op te merken dat tegen de achtergrond van de maatstaf voor een ontslag op staande voet “niet zonder meer” valt in te zien waarom de uitspraak van de rechter in eerste aanleg “in diens (de werknemer, MWK) verhouding tot de werkgever” voor risico van laatstgenoemde moet komen.

Complicaties: dwangsom en voorwaardelijke ontbinding

De vraag dringt zich wat mij betreft ook op wat rechtens is als de werknemer bij verzoekschrift opkomt tegen het ontslag op staande voet als zodanig, deze procedure in eerste aanleg ook wint en via een voorlopige voorziening wedertewerkstelling vordert op straffe van een dwangsom. Indien deze voorziening wordt toegewezen, maar de werkgever laat de werknemer niet toe omdat de werkgever in hoger beroep komt van de beschikking waarin het ontslag op staande voet wordt vernietigd, wat is dan rechtens ten aanzien van de verbeurde dwangsommen? Strikt genomen kan de verzoekschriftprocedure over het ontslag op staande voet als de bodemzaak worden beschouwd en die staat los van de ordemaatregel in kort geding. Betoogd kan dan mogelijk worden dat de dwangsommen verbeurd blijven, tenzij die in hoger beroep in het kort geding ongedaan worden gemaakt.

In ieder geval lijkt er van werkgeverszijde gelet op boven gesignaleerde problematiek een extra motief te zijn om een voorwaardelijk ontbindingsverzoek bij de kantonrechter in te dienen. Als de kantonrechter dat toewijst, dan is er in ieder geval geen discussie over wat te gelden heeft in de periode tussen de uitspraak van de kantonrechter en die van het gerechtshof. De arbeidsovereenkomst bestaat dan immers niet nu de voorwaarde voor de ontbinding – “voor het geval het ontslag wordt vernietigd” – is ingetreden.

We weten op basis van de Mediant (JAR 2017/19) jurisprudentie dat de kantonrechter met een voorwaardelijke ontbinding de latere uitspraak van een hogere rechter niet kan “passeren”. In het geval dat het gerechtshof echter oordeelt dat het ontslag op staande voet toch geldig is, blijft het vanwege de voorwaardelijke ontbinding een gegeven dat de arbeidsovereenkomst in die tussentijd toch niet heeft bestaan en kan er dus ook geen discussie ontstaan over het al dan niet verschuldigd zijn van loon. Als het gerechtshof echter de beschikking van de kantonrechter in stand laat en dus ook oordeelt dat het ontslag niet geldig is, dan sorteert de voorwaardelijke ontbinding geen effect (meer) en is de arbeidsovereenkomst nimmer geëindigd. In dat geval bestaat er (uiteraard) recht op loon vanaf de datum van het in eerste en tweede instantie ongeldig geoordeelde ontslag op staande voet.

Wwz repareren

Hoe men ook aankijkt tegen deze en andere uitspraken in het Wwz-tijdperk, en wat men ook vindt van deze (inmiddels niet meer zo heel nieuwe) ontslagwet, het is naar mijn mening niet vol te houden dat het arbeids(proces)recht er eenvoudiger op is geworden. Dat is in strijd met een van de kerndoelen van die Wwz. Reparatiewetgeving, bijvoorbeeld van artikel 7:683 lid 6 BW, is wenselijk. Dat de Hoge Raad die mening is toegedaan, blijkt in ieder geval uit de subtiele maar voor de goede verstaander luid en duidelijke opmerking in (r.o. 3.7.3) over “een zekere onevenwichtigheid die in het wettelijk stelsel besloten ligt”.

De wetgever is dus aan zet.

Deze blog is een bewerking van de annotatie van Michiel Koole in JAR 2018/203. Naast annotator voor Jurisprudentie Arbeidsrecht (JAR) is Michiel Koole partner bij HDK advocaten te Amsterdam.

Meer Sdu blogs over ontslag

Meer blogs lezen door Michiel Koole?

Posted in: Arbeidsrecht