De gift en het bureaucratisch paradijs. Een sociologisch commentaar bij Van Horzen

De gift en het bureaucratisch paradijs. Een sociologisch commentaar bij Van Horzen
13 september 2019 85 keer bekeken

Van Horzens Opinie, getooid met de mysterieuze titel ‘De Schrijver, de Filosoof, Engelen en een Slang bij de Poort van het Paradijs’, is een met erudiete verbeeldingskracht geschreven oproep tot overdenking van de fiscale toekomst. Van Horzen liet zich inspireren door sociologische inzichten, zoals hij die vernam van de filosoof Sloterdijk. Het doet me plezier dat mijn vakgebied een gidsende rol wordt toebedacht in het fiscale land. Echter, voordat Engelen, Houellebecq en Varoufakis op voorstel van Van Horzen worden uitgenodigd om fiscalisten eerst de poort uit, en dan weer het paradijs in te wijzen, volgt hier ter overweging een alternatief sociologisch perspectief.

In het betoog van Van Horzen worden twee fiscale problemen gesignaleerd, die beide met het paradijs verbonden zijn: Nederland als belastingparadijs en de gemoedstoestand van de belastingbetaler die, het spontane vermogen tot geven ontnomen, gelaten het paradijs verloren waant. Hoewel Van Horzen zijn bijdrage inleidt met het eerste probleem, besteedt hij meer aandacht aan de tweede kwestie, die sociologisch gezien fundamenteler is. Ik geef eerst sociologisch commentaar bij Sloterdijks verhaallijnen over de fiscaliteit zoals beschreven door Van Horzen en ga vervolgens nader in op het tweede probleem. De ontnuchterende conclusie is dat het fiscale paradijs niet in de terugkeer van de gift maar in de bureaucratie moet worden gezocht, aangevuld met rituelen ter viering van het fiscaal-sociale bewustzijn.

Staatsvorming en het dubbelmonopolie op belasting en geweld

De eerste verhaallijn is het historiserende narratief. Hierin zijn elementen te herkennen van het werk van de onder fiscalisten waarschijnlijk bekendste socioloog: Max Weber. Voortbouwend op Webers werk laat de Amerikaanse socioloog en politicoloog Charles Tilly zien dat de fiscus voortkomt uit politieke conflicten, en niet uit de behoefte aan materieel bewijs voor de onsterfelijkheid van de soeverein, zoals de geschiedkundige verhaallijn het wil. De ontwikkeling van plunderingen volgens de grillen van lokale krijgsheren naar centrale en onpersoonlijke belastingheffing is volgens Tilly onderdeel van een langdurig proces van staatsvorming, waarin de vestiging van het dubbelmonopolie van belasting en geweld centraal staat. Het geweldsmonopolie kwam tot stand toen vorsten er uiteindelijk in slaagden om krijgsheren zodanig van hen afhankelijk te maken dat zij gedwongen werden hun conflicten niet meer met het zwaard op lokale slagvelden te beslechten, maar door gemanierd diplomatiek overleg aan het centrale hof van de vorst. Dit proces wordt door de socioloog Norbert Elias ‘civilisering’ genoemd. Politiek geweld verdween echter niet, want de belangrijkste vorm van politiek prestige aan het hof werd bepaald door de mate waarin krijgsheren bijdroegen aan de uitbreiding van het grondgebied. Dezelfde dynamiek speelde ook in naburige staten, en zo leidde de interne wedijver om prestige tot externe conflicten, of de dreiging ervan. Het gevolg van deze dubbele dynamiek: grootscheepse gecentraliseerde militaire investeringen en verdere concentratie van het politieke leven aan het hof, ten koste van lokale politieke verbanden. De ontwikkeling van de belastingheffing in handen van de centrale staat was volgens Tilly eerst en vooral gericht op financiering van militaire slagkracht: ‘War made states and vice versa’. Elias heeft aan dit perspectief een interessante freudiaanse wending gegeven. Met de monopolisering van geweldsmiddelen en de dwang om politieke strijd diplomatiek te beslechten, ontstond volgens hem een sociale dwang tot zelfdwang: in plaats van direct gehoor te geven aan impulsen moest men een steeds verfijndere zelfregulatie aan de dag leggen (Elias spreekt zelfs over het temmen van de ‘aanvalslust’). De prijs van een gebrekkige zelfregulatie was niet alleen schaamte over het impulsieve gedrag, maar ook reputatieschade en -schande aan het hof. Men moest zich meer rekenschap geven van het eigen gedrag, zoals bezien door de ogen van anderen. Meer in het algemeen nam het besef van onderlinge afhankelijkheid toe. Ik kom daar later op terug.

Dit is het eerste deel van een NTFR Opinie geschreven door Don Weenink. De volledige opinie kunt u hier inzien. Deze Opinie is opgenomen in NTFR nummer 36 van 5 september 2019 (NTFR 2019/2180).

Blijf op de hoogte van onze blogs en meer door Sdu Fiscaal te volgen op LinkedIn