Halloween-special: drie gruwelijke moordzaken uitgelicht

Halloween-special: drie gruwelijke moordzaken uitgelicht
31 oktober 2018 16795 keer bekeken

‘'Trick-or-treat!’ Ieder jaar gaan verklede kinderen op 31 oktober langs de deuren om Halloween te vieren. Halloween is vermoedelijk met nakomelingen van de heidense Kelten naar Amerika overgewaaid. 31 oktober is de dag waarop de Kelten ongeveer 3000 jaar geleden hun nieuwjaarsfeest (Samhain) vierden. Volgens de geloofsovertuiging van de Kelten zouden op deze dag de doden uit hun graven herrijzen om te spoken bij de levenden en hun weg naar het dodenrijk te zoeken. In de avond trokken de Kelten griezelige outfits aan en zetten zij enge maskers op. De doden werden op deze manier misleid omdat de kleding en maskers ervoor zorgden dat de geesten dachten dat de Kelten net als hen waren opgestaan uit de dood. Op deze manier werden ze met rust gelaten…

Drie bizarre strafzaken die niet onderdoen voor Halloween

De afgelopen tien jaar hebben zich een aantal lugubere moordzaken voorgedaan. Deze zaken belandden groots in het nieuws en werden uitgebreid besproken in de media. De Halloween-achtige taferelen die men in films ziet, komen in Nederland dus ook voor. De strafzaken (en de juridische aspecten daarvan) die ik in deze blog zal bespreken, staan in het teken van deze gruweldaden; de door de verdachten begane moorden hebben een gevoel van geschoktheid en onveiligheid in de maatschappij teweeg gebracht. De strafzaken die ik zal bespreken zijn:

  • De moord op het Maasmeisje.
  • De zoutzuurmoorden.
  • De kofferbak- en rioolmoord.

De moord op het Maasmeisje

De eerste zaak staat bekend als ‘de moord op het Maasmeisje’. Voorbijgangers treffen op 20 juni 2006 een sporttas met een been aan nabij het Mallegat/de Steenplaat te Rotterdam. Twee dagen later, op 22 juni 2006, wordt er een trolley aangetroffen bij de Parkkade met daarin een romp. Vervolgens wordt op 13 juli 2006 een hoofd aangetroffen in de Maashaven. Er wordt een onderzoek gestart en de lichaamsdelen worden onderzocht. Enige tijd later wordt geconcludeerd dat de lichaamsdelen bij elkaar horen en dat het slachtoffer een getint tienermeisje moet zijn. Aangezien het slachtoffer lange tijd niet geïdentificeerd kon worden, werd zij ‘het Maasmeisje’ genoemd. Door middel van een gelaatsconstructie wordt het raadsel rondom de moord op het Maasmeisje opgelost. Het slachtoffer blijkt de 12-jarige Gessica te zijn. Zij was niet als vermist opgegeven. De vader van het slachtoffer verschijnt daarna al snel als verdachte in beeld. Het meisje woonde samen met haar vader in een appartement. Zij leefden samen in een isolement. Hoe kon het dat hij haar niet miste? Verdachte wordt verhoord maar wil niets verklaren over de toedracht van de dood van zijn dochter. Het OM vervolgt verdachte primair voor moord (artikel 289 Sr), subsidiair voor doodslag (artikel 287 Sr). Als tweede feit wordt het wegmaken van een lijk (artikel 151 Sr) ten laste gelegd.

Vader hakte Maasmeisje in stukken

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte het lijk van zijn dochter heeft weggemaakt (Rb. Rotterdam 10 december 2017, ECLI:NL:RBROT:2007:BB9758). Uit onderzoek is namelijk gebleken dat de verdachte in de badkamer van zijn woning het lichaam van zijn dochter in stukken heeft verdeeld. Het bewijs daarvoor valt af te leiden uit de vondst van een botsplinter afkomstig van het slachtoffer in het doucheputje, snijsporen in het zeil rond het doucheputje en bloedvlekken van het slachtoffer op diverse plaatsen in de badkamer. Bovendien heeft de bovenbuurvrouw een verklaring afgelegd waarin zij stelt dat zij in juni 2006 geluiden heeft gehoord in de woning van verdachte, waardoor zij zich afvroeg of er een slachterij in de woning was gevestigd. Van belang is ook dat de tassen en de trolley waarin de ledematen zijn gevonden door derden werden herkend als zijnde eigendom van de verdachte. Vast staat ook dat de (delen van) stoeptegels die zijn gebruikt om de tassen en trolley met daarin de lichaamsdelen te verzwaren afkomstig zijn uit de tuin van verdachte.

Een andere sterke aanwijzing voor het wegmaken van het lijk is gelegen in de verklaring van de taxichauffeur, inhoudende dat hij verdachte op 19 juni 2006 na 23:09 uur met een zeer zware koffer heeft vervoerd van de woning van verdachte naar de plek waar drie dagen later de verpakte romp in de Nieuwe Maas is gevonden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat bovengenoemde handelingen wijzen op zogenoemde defensieve mutilatie (het in stukken verdelen en verpakken van het lichaam met het doel om het te kunnen transporteren en te kunnen dumpen of verbergen) om zelf niet in beeld te komen als dader van doding van het slachtoffer.

Doodsoorzaak Maasmeisje niet vast te stellen

Hoewel er geen direct bewijs aanwezig is voor het doden van zijn dochter, wordt de verdachte door de rechtbank toch veroordeeld voor doodslag. Hij wordt vrijgesproken voor moord. De doodsoorzaak kan niet vastgesteld worden, omdat de lichaamsdelen te lang in het warme water hebben gelegen. Het is volgens de rechtbank niet aannemelijk dat het meisje is gestorven door een dodelijke hoeveelheid olanzapine (Zyprexa), de stof die in haar lichaam is aangetroffen. Dit baseert de rechtbank onder andere op het feit dat de aanwezige hoeveelheid van Zyprexa in het huis naar alle waarschijnlijkheid gering is geweest. Verder beschrijft de buurvrouw in de periode rondom de dood van het slachtoffer heftig gestommel en gebonk. Daarnaast heeft aan het bewijs bijgedragen het feit dat verdachte en zijn dochter in isolement leefden, er geen andere dader in beeld is en dat hij op geen enkele manier een verklaring heeft gegeven over de gebeurtenissen rond haar overlijden of over het hem voorgehouden bewijsmateriaal waaruit iets anders zou kunnen blijken.

Zwijgrecht werkt tegen vader: bewijsmateriaal schreeuwt om verklaring

Bijzonder in deze zaak is dan ook dat de rechtbank opmerkt dat het feit dat de verdachte zich beroept op zijn zwijgrecht, tegen hem is gaan werken. Het bewijsmateriaal schreeuwt namelijk om een nadere verklaring. Verdachte kan volgens de rechtbank als dader van het wegmaken van het lijk van zijn dochter worden aangewezen. In dat geval staat vrijwel zeker vast dat hij zich voorafgaand aan het wegmaken van het lijk schuldig heeft gemaakt aan een levensdelict. Dit kan slechts anders zijn indien er door de verdediging een ander scenario wordt geschetst. Aangezien verdachte in alle talen zwijgt over de toedracht van haar dood, kan het niet anders zo zijn dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de doding van het slachtoffer, aldus de rechtbank. Hij schetst immers geen ander scenario van feiten. De rechtbank stelt dan ook dat aan een dergelijke proceshouding risico’s kleven. De rechtbank veroordeelt verdachte tot acht jaar gevangenisstraf, met aftrek voorarrest en de maatregel van T.B.S. met dwangverpleging. Tegen de uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

Zoutzuurmoorden

De beruchte zoutzuurmoorden staan centraal in de tweede zaak. Een bloeddorstige familie bracht in 2009 en in 2011 twee mannen op een beestachtige manier om het leven. De resten van het lichaam van het slachtoffer zijn vervolgens in een ton met zoutzuur opgelost.

Lichaam opgelost in ton met zoutzuur

De zaak uit 2011 licht ik nader toe. Op 6 augustus 2011 verbleef het gezin en een huisvriend in het huis van de familie. Het slachtoffer kwam onverwachts op bezoek en kreeg ruzie met vader. Moeder hoorde de ruzie, kwam naar de betreffende kamer en pakte een geladen pistool. Zij schoot daarmee meerdere keren op het slachtoffer. Vervolgens ontstond er een worsteling tussen het slachtoffer, de huisvriend en de vader. Vader heeft het pistool van zijn vrouw overgenomen en heeft vervolgens meerdere keren op het slachtoffer geschoten, waarna het slachtoffer overleed. Vervolgens is het lichaam naar de woning van de huisvriend in België gebracht, alwaar de resten van het lichaam in een ton met zoutzuur zijn opgelost. De resten zijn door het riool gespoeld. Er bleef niets meer over van het slachtoffer…

Moeder startte moordpartij met geweer

De moeder is door de Rechtbank Limburg veroordeeld voor moord wegens het doden van het slachtoffer in 2011 (Rb. Limburg 26 juni 2013, ECLI:NL:RBLIM:2013:4538). Uit het dossier volgt namelijk dat moeder op het slachtoffer heeft geschoten. Er is onvoldoende bewijs voor het aannemen van medeplegen en/of medeplichtigheid. De vader en jongste dochter zijn door de rechtbank vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs (Rb. Limburg 26 juni 2013, ECLI:NL:RBLIM:2013:4534 en ECLI:NL:RBLIM:2013:4536). Volgens de officier van justitie heeft eerst moeder en daarna vader op het slachtoffer geschoten, waarna de dochter een stroomstootwapen tegen het slachtoffer zou hebben gebruikt. Als gevolg van dit geweld is het slachtoffer overleden. De rechtbank oordeelt daarentegen dat niet vast staat dat dochter het stroomstootwapen heeft gebruikt. De getuigenverklaringen waarop de stellingen van de officier zijn gebaseerd zijn niet consequent en dat dwingt tot grote terughoudendheid bij het gebruik van hun verklaringen. Verder is er geen DNA aangetroffen op de greep van het stroomstootwapen. Bovendien acht de rechtbank de belastende verklaringen van de inmiddels overleden huisvriend (en tevens een verdachte) onbetrouwbaar.

OM gaat in hoger beroep tegen moordlustige familie

De moeder is in hoger beroep gegaan tegen haar veroordeling; het OM is in beroep tegen de vrijspraak van vader en dochter gegaan. Het hof heeft de betrouwbaarheid van één van de belangrijkste verklaringen in het dossier, namelijk de verklaring van de (inmiddels overleden) huisvriend, laten onderzoeken door een rechtspsycholoog. De rechtspsycholoog stelt in zijn rapport van 31 maart 2016 dat de verklaringen van de huisvriend grotendeels valide en betrouwbaar zijn. Op grond van diens rapportage oordeelt het hof dat de vrouw en de man allebei op het slachtoffer hebben geschoten.

Vader en moeder hadden geen vooropgezet plan voor moord

Het hof stelt dat niet kan worden bewezen dat het echtpaar het vooropgezette plan had het slachtoffer te doden en dat er daarom geen sprake is van moord maar van medeplegen van doodslag. Het hof is namelijk van oordeel dat de periode gelegen tussen het moment dat moeder en vader zich hadden voorgenomen om het slachtoffer neer te schieten en het moment van het daadwerkelijk schieten dermate kort is, dat de verdachten daarin redelijkerwijze onvoldoende gelegenheid hebben gehad tot beraad of bezinning.

Geen noodweer, vader en moeder schoten bewust op slachtoffer

Er is volgens het hof geen sprake van noodweer. Het slachtoffer had zich weliswaar dreigend uitgelaten tegen vader, maar op het moment dat moeder besloot op hem te schieten, was er geen onmiddellijk dreigend (levens)gevaar en was haar handelen volgens het hof eerder aanvallend dan verdedigend te noemen. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en doet dan ook opnieuw recht. De moeder wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar (Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 30 januari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:317) en de vader moet voor de duur van zeven jaar achter slot en grendel (Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 30 januari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:319).

Jongste dochter gaat vrijuit ondanks vermeend gebruik stroomstootwapen

De jongste dochter van het gezin werd ervan verdacht het slachtoffer te hebben bewerkt met een stroomstootwapen. Daarvoor schiet volgens het hof het bewijs te kort; het is niet vast komen te staan dat zij het stroomstootwapen heeft gebruikt. De diverse verklaringen van getuigen en verdachten welke beweren dat dochter het stroomstootwapen zou hebben gebruikt, zijn ten opzichte van elkaar niet bepaald eenduidig en bevatten grote onderlinge verschillen. Het hof spreekt haar dan ook net als de rechtbank vrij wegens gebrek aan bewijs (Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 30 januari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:316).

Geen van de verdachten werd veroordeeld voor het oplossen van het lijk van het slachtoffer in het zoutzuur.

Kofferbak- en rioolmoord

De laatste zaak is in de media bekend worden als de “kofferbak- en rioolmoord”. Het draait in deze zaak om een koelbloedige liquidatie van twee slachtoffers. De schietpartijen vonden plaats in een groentezaak/toko van één van de verdachten. Uit politieonderzoek blijkt dat de eigenaar van de toko door de slachtoffers werd afgeperst. Om die reden gaf de eigenaar van de toko opdracht aan een vriend van hem om de slachtoffers dood te schieten. Deze vriend schoot het eerste slachtoffer op 14 oktober 2008 dood in de toko. Na de liquidatie is zijn lichaam door de schutter in een vuilniscontainer gelegd en weggevoerd van het plaats delict. Hij werd in de kofferbak van zijn eigen auto achtergelaten in een woonwijk in Nieuw-Vennep. Het lijk werd op 1 december 2008 ontdekt.

De tweede moord dateert van 16 oktober 2008. Het slachtoffer werd naar de toko gelokt en is kort daarna bruut beschoten door de vriend van de opdrachtgever van de moord. Een andere (vrouwelijke) verdachte wist van het plan af en liet het slachtoffer in de waan dat er een gesprek met de eigenaar van de toko of een betaling zou plaatsvinden. Na de moord verstopten de vrouwelijke verdachte en de schutter het lichaam van het tweede slachtoffer in een rioolput in Almere. Op 14 november 2008 werd zijn lichaam op die plek ontdekt.

Drie verdachten vervolgd: het lot van de toko-eigenaar en de schutter

De eigenaar van de toko, de schutter en de (vrouwelijke) verdachte worden door het OM vervolgd. De eigenaar van de toko en de schutter zijn uiteindelijk allebei veroordeeld voor het medeplegen van de twee moorden en het wegmaken van het lichaam van het eerste slachtoffer in de kofferbak van de auto (zie o.a. HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2857 en HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2858). De eigenaar van de toko is vrijgesproken voor het wegmaken van het lijk van het tweede slachtoffer in de rioolput (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 april 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ8949). De schutter is voor dit laatste feit wel veroordeeld (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 april 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ8947).

Derde (vrouwelijke) verdachte veroordeeld voor medeplichtigheid aan moord

Wat de verdachte betreft, gaat de verdenking enkel uit naar betrokkenheid bij de moord op het tweede slachtoffer. Het hof veroordeelde haar voor het medeplegen van het wegmaken van een lijk en het medeplegen van moord, vanwege de rol die zij in de visie van het hof in het kader van de levensberoving van dit slachtoffer had vervuld (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 april 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ8948). Deze rol zag er in de kern op dat verdachte het slachtoffer voorafgaand aan de moord in de waan werd gelaten dat er in de toko een gesprek met de eigenaar van de toko of een betaling zou volgen. Het hof oordeelde dat zij, door op die manier te handelen, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer tijdens de ontmoeting op gewelddadige wijze om het leven zou worden gebracht. De Hoge Raad was het met dat onderdeel niet mee eens, omdat de door het hof genoemde bijdrage van de verdachte, van onvoldoende gewicht was om van medeplegen te spreken (HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2886). De Hoge Raad heeft daarom het arrest van het hof gedeeltelijk (op dat onderdeel) vernietigd. Het hof veroordeelde de verdachte vervolgens voor medeplichtigheid aan moord op het slachtoffer (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 september 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:7363).

Het navolgende cassatieberoep richt zich tegen dat oordeel:

  • Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring, voor zover behelzende dat de verdachte opzet heeft gehad op de medeplichtigheid aan moord niet zonder meer uit de bewijsvoering van het hof kan worden afgeleid, zodat de uitspraak in zoverre niet naar de eis der wet redenen is omkleed. De Hoge Raad oordeelt dat dit middel niet tot cassatie kan leiden.
  • Het tweede middel, inhoudende dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van art. 6 lid 1 EVRM, slaagt wel. De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak, maar alleen voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. Deze gevangenisstraf wordt in mindering gebracht tot acht jaar en twee maanden.

Drie strafzaken met gemeenschappelijk Halloweeneffect

De drie toegelichte zaken bezitten allemaal een huiveringwekkend kenmerk: de lijken van de slachtoffers zijn op een mensonterende wijze weggemaakt, met het doel om de doden te verbergen. Het Maasmeisje werd in stukken gedeeld, in vuilniszakken verpakt, vervolgens in tassen en een trolley gestopt en in het water gegooid. De lichamen van de slachtoffers van de zoutzuurmoorden zijn in het zoutzuur opgelost, waarna de laatste menselijke resten door het riool werden gespoeld. De moordenaars van de slachtoffers van de kofferbak- en rioolmoord schoten hun slachtoffers in koelen bloede dood en verborgen hun lichamen in een rioolput en de kofferbak van een auto. Michael Meyers (Halloween) is er niets bij…

Meer lezen over strafrecht?

Opmerkingen