Swipe to the left

Het recht op privacy: iedereen heeft iets te (willen) verbergen

Print
Het recht op privacy: iedereen heeft iets te (willen) verbergen
By 20 juni 2017 12057 keer bekeken Geen opmerkingen

Begin deze maand werd het Verenigd Koninkrijk voor een derde keer in korte tijd opgeschrikt door een terroristische aanslag. Naar aanleiding van deze aanslag sprak de Britse premier Theresa May een dag later stevige taal. Zo zei ze:

“We moeten nog meer doen om de vrijheid en bewegingsruimte te beperken van terrorismeverdachten waarvan we weten dat ze een bedreiging zijn, maar tegen wie we onvoldoende bewijs hebben voor vervolging. En als wetgeving op het gebied van mensenrechten daarbij in de weg zit, passen we die wetten aan zodat we de maatregelen alsnog kunnen treffen.”

Premier May denkt daarbij onder meer aan de regulering van telefoon- en internetgebruik door radicalen. Dat is niet zo verwonderlijk. Ten eerste omdat de digitale communicatie een steeds belangrijkere rol inneemt in ons dagelijks leven. Daarnaast is het zo dat op het moment dat mensenrechten, vooral in de publieke opinie, als last worden ervaren omdat ze alleen maar in de weg staan van een effectieve criminaliteit- of terreurbestrijding, dan is het recht op privacy vrijwel altijd als eerste aan de beurt. Een veelgehoorde uitspraak om dit te rechtvaardigen is dan vaak: “als je niets fout doet, heb je ook niets te verbergen.” Deze uitspraak gaat echter voorbij aan de achterliggende gedachte van het recht op privacy, maar – en dat is voor velen misschien nog wel een belangrijk argument – deze uitspraak komt tevens nogal eens voort uit onvoldoende besef van de gevaren die ontstaan als het recht op privacy niet adequaat beschermd wordt.

De historische achtergrond
Het recht op privacy c.q. privéleven is onder meer neergelegd in art. 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Nationaal is het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer ook nog geregeld in art. 10 van de Grondwet. In art. 13 wordt vervolgens expliciet gewezen op het briefgeheim en het telefoon- en telegraafgeheim. Het EVRM kent een wat neutraler begrip, dat met het oog op de snelle technologische ontwikkelingen wat makkelijker in de huidige samenleving is in te passen, door elke onderdaan van een lidstaat van de Raad van Europa het recht op respect van zijn correspondentie toe te kennen.

Uit de wat ouderwetse terminologie in de Grondwet blijkt in elk geval al dat het recht op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer al lang een bestaansrecht heeft. De achtergrond van het recht moet al in het denken uit de Verlichting gezocht worden. Elk individu is een zelfstandig, rationaal wezen en heeft het recht op een individuele vrijheid en ongestoord zijn leven te kunnen leiden zoals hij of zij dat zelf wil; onafhankelijk van de overheid. Dat geldt te meer voor het privéleven binnenshuis en voor de onderlinge contacten die iemand onderhoudt met anderen. Dit alles, zo is de gedachte, moet kunnen plaatsvinden zonder te hoeven vrezen dat gevreesd hoeft te worden dat de overheid meekijkt of -luistert. Filosofen omschrijven het ook wel als het recht om imperfect te zijn. De ondergrens die daar vaak bij wordt gehanteerd is dat die imperfectie geen inbreuk op (zwaarwegendere) mensenrechten van anderen mag opleveren.

Het praktische belang
Ik vrees echter dat tegenwoordig niet iedereen nog warm zal lopen voor deze filosofische beschouwingen over het recht op privacy. In elk geval zal ik in deze blog me daarom vooral op een ander, mogelijk overtuigender, punt richten dat (eveneens) regelmatig onderbelicht blijft. Eenieder heeft namelijk juist in het huidige digitale tijdperk ook een groot praktisch belang bij bescherming van het recht op privacy.

Ten eerste is mijn stellige overtuiging dat het simpelweg niet klopt dat er mensen zijn die daadwerkelijk niets te verbergen hebben. Of het nu gaat om “simpele persoonsgegevens”, seksuele voorkeuren, wachtwoorden, (digitale) correspondentie, financiële zaken, biologische kenmerken (inclusief het DNA dat – zo blijkt recent weer uit verschillende studies – ook iets kan zeggen over uiterlijke, maar zeker innerlijke kenmerken), privécontacten: er zijn altijd redenen om te willen dat bepaalde privézaken niet op straat komen te liggen. Zelfs niet als dat enkel de eigen overheid is. Zonder dat mensen erbij stilstaan, kunnen allerlei aspecten van iemand zij privéleven verkeerd worden uitgelegd; ook door de overheid. Of het nou gaat om het vergeten van het doorgeven van financiële veranderingen tot contacten met mensen die achteraf “fout” blijken te zijn; het kan zomaar gebeuren dat iemand in het defensief gedrukt wordt en wordt onderworpen aan opsporings- of ververvolgingsmiddelen, met alle vervelende gevolgen van dien, enkel en alleen doordat de privésituatie verkeerd wordt uitgelegd. Zelfs als die situatie uiteindelijk uitgelegd kan worden, moet niet onderschat worden wat de gevolgen zijn van het ten onrechte betrokken worden in een bestuurlijke of (straf)rechterlijke procedure.

En áls het vervolgens zo is dat iemand niettemin oprecht meent dat hij of zij niets te verbergen heeft tegenover de overheid, dan wordt vaak vergeten dat dit een oneindig vertrouwen in diezelfde overheid met zich brengt. Immers, als de overheid eenmaal alles weet over iemand zijn privéleven, dan kan er (tegenwoordig) vanuit worden gegaan dat die informatie voor altijd beschikbaar blijft. Dat een overheid uit eigen beweging bevoegdheden of informatie teruggeeft, ligt doorgaans niet in de lijn der verwachting (als het al kan). Dus zelfs als die overheid op enig moment verandert – of dat nou gaat om de politieke kleur of levensovertuiging en of dat nou op democratische wijze geschiedt of niet –, dan zal ook die overheid over alle gevoelige persoonlijke informatie beschikken die eerder is verkregen. Uit de Tweede Wereldoorlog is bekend dat de registratie van de (religieuze) achtergrond van burgers een desastreus gevolg heeft gehad op de Jodenvervolging.

Dat is uiteraard zo’n beetje het ergst denkbare scenario. Maar er zijn meer (realistische) gevaren. Als eenmaal privéinformatie is verkregen, dan moet die goed afgeschermd (kunnen) worden ten opzichte van derden/ particulieren (zoals andere overheden, bedrijven en criminelen). In het huidige tijdsgewricht waarin vrijwel alle informatie digitaal is en waarin is gebleken dat de meeste overheden niet eens hun eigen informatie adequaat (kunnen) beschermen (tegen bijvoorbeeld cyberaanvallen), dan moet wat mij betreft worden geconcludeerd dat het oneindige vertrouwen in de eigen overheid niet gerechtvaardigd is. Integendeel, dat is zelfs levensgevaarlijk. Want de consequenties die ontstaan als al die persoonlijke informatie in verkeerde handen valt, zijn niet te overzien. Wat zouden bijvoorbeeld de gevolgen kunnen zijn als (zorg)verzekeringen over biologische (DNA-)eigenschappen van burgers komen te beschikken? Wat als criminelen over allerhande wachtwoorden komen te beschikken? Wat als buitenlandse overheden over de seksuele voorkeuren of levensovertuiging van burgers komen te beschikken.

De grenzen
Het recht op privacy is ook daarom een groot goed. Zoals gezegd is het geen absoluut mensenrecht, want een beperking is mogelijk als (andere) mensenrechten van andere burgers in het geding zijn. Daarbij geldt als extra juridische eis dat die beperking wettelijk geregeld is. Alleen al daarom valt niet in te zien wat May méér zou (kunnen) willen, aangezien datgene dat zij wil al mogelijk is op grond van art. 8 EVRM. Haar uitspraken zullen dan ook eerder moeten worden gezien als verkiezingsretoriek dan als serieuze voorstellen om de wetgeving te veranderen. Toch is het goed om te zien dat rechters ook nu grenzen stellen aan inbreuken op het recht op privacy, al was het maar voor de beeldvorming die met hiervoor besproken verkiezingsretoriek wel erg naar één kant dreigt door te slaan. Zo oordeelde het EHRM in de zaak Rueda versus Spanje dat een computer van een verdachte niet alvast door de politie onderzocht mag worden als de wet voorschrijft dat daar eerst goedkeuring van de rechter voor nodig is. Ook de Hoge Raad heeft zich op dit vlak niet onbetuigd gelaten en op 4 april van dit jaar grenzen gesteld aan het onderzoek aan mobiele telefoons (ECLI:NL:HR:2017:584). Aangezien mobiele telefoons tegenwoordig zoveel persoonlijke informatie bevatten, mag de politie niet zomaar alles ‘uitlezen’. Om “een min of meer compleet beeld te verkrijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker” is een bijzondere bevoegdheid nodig, aldus de Hoge Raad.

Dergelijke waarborgen zijn er niet zomaar; ze geven een proportionaliteits- en subsidiariteitstoets. Dat wil zeggen dat er geen ander, minder ingrijpend middel is om hetzelfde doel te bereiken en de inzet van het middel in verhouding staat tot het beoogde doel. Simpel gezegd: een inbreuk mag niet zomaar plaatsvinden en met deze toets wordt de grens juridisch aangegeven. Daarmee is dit wat mij betreft één van de mooiste juridische eisen die in de loop der tijd zijn ontworpen.

Tot slot
Mijn oproep is: laten we die toets hoog houden. Ook als het gaat om op het recht op privacy, want het is van groot belang dat we daar niet te licht over denken. Juist nu, nu velen op de barricades springen en oproepen om ons leven niet te laten regeren door terreur, is het van belang om dat ook te laten gelden voor de verworven vrijheden en mensenrechten. Daarvoor is het recht op privacy te belangrijk en van te grote (historische) betekenis voor de democratische rechtsstaat.

Posted in: Strafrecht