Swipe to the left

Identificeren: een vak apart

Print
By 1 maand geleden 2564 keer bekeken Geen opmerkingen

Een van mijn cliënten werd wederom verdacht van fietsendiefstal, en het voornaamste bewijsmiddel betrof de herkenning op basis van een enkelvoudige fotoconfrontatie. In het dossier bevond zich een verklaring van een buurtbewoner (getuige 1) die vroeg in de morgen wakker werd van piepende geluiden. Toen getuige 1 naar buiten keek zag hij een man met een kalend hoofd bij de fiets van zijn buurman staan rommelen aan het slot, waarna hij zag dat de man de fiets wegnam. De vrouw van de buurtbewoner (getuige 2) was inmiddels ook wakker geworden en nam eveneens waar dat de man de fiets wegnam, waarna zij de politie heeft gebeld.

Beide getuigen stelden de voor hen onbekende dader goed te hebben kunnen waarnemen. Een paar dagen later wordt de betreffende fiets in de schuur van cliënt aangetroffen. Client voldoet aan het gegeven signalement en de politie neemt een aanvullende verklaring op van getuige 2 waarbij een foto van cliënt wordt getoond. Getuige 2 bevestigt dat cliënt volgens haar de dader is van de fietsendiefstal, en stelt daar vrij zeker van te zijn nu zij hem herkent aan zijn kale hoofd. Client stelt de fiets op straat te hebben gekocht van een kalende man.

(F)oslo-confrontatie
Kortweg heb ik bepleit dat aan de “herkenning” door getuige 2 geen bewijswaarde kan toekomen. Tevens heb ik verzocht, indien de politierechter aan dit verweer voorbij zou gaan, om getuige 1 aan een (F)oslo-confrontatie te onderwerpen. De politierechter wees dit verzoek af, en overwoog daartoe dat cliënt door getuige 2 was “geïdentificeerd” en er geen reden was te twijfelen aan de betrouwbaarheid daarvan. De politierechter hechtte er bovendien waarde aan dat deze enkelvoudige fotoconfrontatie vrijwel direct na het incident had plaatsgevonden. Vanwege het tijdsverloop, zou er meer bewijswaarde toekomen aan de “identificatie” van cliënt door getuige 2, dan aan de uitkomst van een nog uit te voeren (F)oslo-confrontatie met getuige 1.

Enkelvoudige (foto)confrontaties
Deze overweging riep bepaald vragen op. Immers, in gedragswetenschappelijke literatuur is beschreven dat aan enkelvoudige (foto)confrontaties geen bewijswaarde toekomt wanneer deze worden uitgevoerd om te bezien of de getuige een voor hem onbekende persoon herkent als zijnde de dader[1]. Dit volgt ook uit de ‘richtlijnen enkelvoudige fotobewijsconfrontatie’. In artikel 2 wordt immers gesteld dat “een enkelvoudige bewijsconfrontatie alleen is toegestaan als de getuige de (vermoedelijke) dader van het (strafbare) feit al kent[2].

Besliscriterium
Wanneer een getuige meewerkt aan een confrontatie, zal hij moeten besluiten of de getoonde persoon wel of niet overeenkomt met het beeld dat in zijn geheugen is opgeslagen van de eerder waargenomen persoon. Om zo’n beslissing te kunnen nemen, gebruikt de getuige een ‘besliscriterium’; hij bepaalt welke mate van gelijkenis tussen het beeld in zijn geheugen en het beeld dat hem wordt voorgehouden voor hem nodig is om iemand aan te wijzen en dus te herkennen[3]. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat mensen niet goed in staat zijn een voor hen onbekend gezicht op een later moment te herkennen[4]. Daarbij komt dat ook de zekerheid waarmee een getuige meent iemand te herkennen, niets zegt over de accuraatheid van de herkenning[5]. Om aan een eventuele herkenning door een getuige bewijswaarde te kunnen toekennen, is het dan ook van belang dat tijdens de herkenningsprocedure voor de feilbaarheid van het geheugen (maar ook de integriteit) van de getuige wordt gecontroleerd.

"dat is hem" of "dat is hem niet"
Bij een enkelvoudige confrontatie heeft de getuige de keuze uit “dat is hem”, of “dat is hem niet”. Wanneer al kan worden vastgesteld dat de getuige geen ander motief heeft om te bevestigen dat de getoonde persoon de dader is van het strafbare feit (en er dus in het geheel geen sprake is van herkenning), is de enkelvoudige confrontatie ook nog eens een bijzonder suggestieve situatie voor de getuige. Door alleen al het uitvoeren ervan geeft de politie de boodschap aan de getuige dat zij denken de dader te hebben opgepakt en dat de getoonde persoon de dader is. Ten gevolge hiervan kan de getuige geneigd zijn, zijn besliscriterium naar beneden bij te stellen. Te meer nu de verdachte over het algemeen aan het gegeven signalement voldoet, getuigen de politie willen helpen en de neiging hebben hun herkenningsvermogen te overschatten (zeker wanneer zij eerder hebben gezegd de dader bij weerzien zeker te kunnen herkennen)[6]. Wanneer de getuige zegt “dat is hem” kan niet worden vastgesteld of de getuige de persoon daadwerkelijk heeft herkend, hem slechts meent te herkennen of een ander motief heeft om bevestigend te antwoorden.

Betrouwbaarheid
De rechter lijkt over het algemeen de enkelvoudige (foto)confrontatie uit te sluiten wanneer evident is dat getwijfeld kan worden aan de vermeende herkenning door de getuige[7]. Wanneer een bewezenverklaring echter ook door andere bewijsmiddelen kan worden gedragen, lijkt de strafrechter geneigd de betrouwbaarheid van de uitgevoerde enkelvoudige confrontatie te beoordelen en deze vervolgens, bij een positieve beoordeling, te gebruiken als bewijsmiddel[8]. Daarmee wordt ten onrechte de suggestie gewekt dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, aan een enkelvoudige (foto)confrontatie bewijswaarde kan toekomen. Indien immers op grond van de overige aanwezige bewijsmiddelen in het dossier kan worden vastgesteld dat aan de herkenning van de getuige niet hoeft te worden getwijfeld, kan het ten laste gelegde op grond van deze bewijsmiddelen worden bewezen. De “herkenning” door de getuige op basis van een enkelvoudige (foto)confrontatie is daar dan ook niet voor nodig.

Richtlijnen enkelvoudige fotobewijsconfrontatie
Mijn inziens zou de rechter dan ook conform art. 2 ‘ van de richtlijnen enkelvoudige fotobewijsconfrontatie’ de enkelvoudige (foto)confrontatie in geen geval voor het bewijs moeten gebruiken wanneer het een voor de getuige onbekend persoon betreft. Een rol als bewijsmiddel acht ik voor deze niet weggelegd, ook niet wanneer uit andere bewijsmiddelen de betrokkenheid van verdachte bij het strafbare feit voortvloeit. Dit voorkomt dat over de nihile bewijswaarde van enkelvoudige (foto)confrontaties discussie ontstaat in zaken waarbij deze herkenning wel het belangrijkste “bewijsmiddel” betreft. Voorlopig blijft in ieder geval voor strafrechtadvocaten een taak weggelegd om verweer te voeren tegen het gebruik van dergelijke enkelvoudige (foto)confrontaties als bewijsmiddel



[1] Zie ook Van Koppen, P.J., Wagenaar, W.A. (2010). Herkennen van gezichten. In: Van Koppen, P.J. Merkelbach, H., Jelicic, M., de Keijser, J.W. (red.). Reizen met mijn rechter, (p.269-304). Deventer: Kluwer.

[2] Amelsvoort, A. (2013). Handleiding confrontatie. Bijlage 5 Richtlijnen enkelvoudige fotobewijsconfrontatie. Amsterdam: Stapel & De Koning, p. 167.

[3] Amelsvoort, A. (2013). Handleiding confrontatie. Bijlage 5 Richtlijnen enkelvoudige fotobewijsconfrontatie. Amsterdam: Stapel & De Koning, p. 98.

[4] Dachaine, B. (2015) Individual differences in face recognition ability: Impacts on law enforcement, criminal justice and national security, Psychological Science Agenda, Science brief june 2015 (https://www.apa.org/science/about/psa/2015/06/face-recognition.aspx).

[5] Rassin, E. (2009). Tussen sofa en toga: Een inleiding in de rechtspsychologie. Den Haag: Boom juridische uitgevers, p. 75.

[6] Amelsvoort, A. (2013). Handleiding confrontatie. Bijlage 5 Richtlijnen enkelvoudige fotobewijsconfrontatie. Amsterdam: Stapel & De Koning, p. 95-110.

[7] Rb Rotterdam 24 maart 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2101; Rb Zwolle Lelystad 15 juli 2008, ECLI:NL:RBZLY:2008:BD9011; Gerechtshof Amsterdam 28 juli 2016, ECLI:NL:GHAM:2016:3271; Gerechtshof Amsterdam 27 januari 2016, ECLI:NK:GHAMS:2016:171.

[8] zie bijv. Rb Zeeland, 5 juli 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:4215 Rb Den Haag 20 januari 2016, ECLI:NLRBDHA:2016:514, Gerechtshof Leeuwarden, 23 april 2010, Gerechtshof Arnhem 4 juni 2010 LJN BM 2539,