Swipe to the left

Iedereen is potentieel in staat de moord op Bonifatius te bekennen

Print
Iedereen is potentieel in staat de moord op Bonifatius te bekennen
By 2 maanden geleden 19027 keer bekeken Geen opmerkingen

Na de kidnapping van Charles Lindbergh's zoontje in 1932 hebben zo'n 200 mensen dat misdrijf bekend. Er waren zelfs mensen die een bekentenis aflegden, terwijl zij ten tijde van de kidnapping nog niet eens waren geboren. Mensen bleken in staat iets verschrikkelijks te bekennen. Zij hadden niets met de zaak te maken.

Hoe kan de rechter voorkomen dat hij zich simpelweg vergist in de ten onrechte afgelegde ‘bekentenis’ van de verdachte?

Bij misdrijven die veel media-aandacht genereren, zijn er altijd wel mensen die zich spontaan als dader bij de politie melden. Het kan gaan om psychiatrische patiënten of fantasten die graag eens in de media willen verschijnen. Maar ook andere mensen kunnen om uiteenlopende redenen besluiten te bekennen zodra ze als verdachte zijn aangehouden. De werkelijke dader kan daardoor buiten beeld blijven.

De afgelopen decennia kwamen zaken voorbij waarin achteraf werd vastgesteld dat een veroordeling in de kern was gebaseerd op een valse bekentenis. De benarde en soms zelfs onmenselijke positie van de verdachte werd daarmee pijnlijk blootgelegd.

In de rechtspraak en literatuur is in toenemende mate aandacht gekomen voor de vraag hoe de rechter bij zijn bewijsbeslissing kan voorkómen dat hij dwaalt. Hoe kan de rechter voorkomen dat hij zich simpelweg vergist in de ten onrechte afgelegde ‘bekentenis’ van de verdachte?

De (feiten)rechter heeft in zijn algemeenheid een grote vrijheid bij de selectie en waardering van de bewijsmiddelen

Intro: het juridisch systeem
Wij zullen eerst kort stilstaan bij het geldende bewijsstelsel in Nederland.
De rechter staat bij een inhoudelijke behandeling van de zaak voor de vaak moeilijke taak om over de bewijsvraag te beslissen (art. 350 Sv). Het uitgangspunt daarbij is de tenlastelegging; vrijwel woordelijk is de rechter daaraan gebonden en dat lees je in het vonnis terug.

De (feiten)rechter heeft in zijn algemeenheid een grote vrijheid bij de selectie en waardering van de bewijsmiddelen. De verklaring van de verdachte is zo’n bewijsmiddel. Het gaat dan wel om een verklaring van de verdachte zelf, want volgens de Hoge Raad kan een verklaring van de advocaat die namens de (mede)verdachte op de terechtzitting optreedt niet voor het bewijs worden gebruikt. De verklaring van de verdachte zelf is een zogeheten zelfstandig bewijsmiddel, ongeacht het stadium in het strafproces of de context waarin deze is afgelegd (art. 339 lid 1 sub 2 juncto art. 341 Sv). In theorie kan de verklaring van de verdachte bij gelegenheid van het laatste woord, aan het slot van de terechtzitting, nog voor het bewijs worden gebruikt.

Het inroepen van het zwijgrecht door de verdachte kan uiteindelijk wél in zijn nadeel uitpakken

De verklaring van de verdachte kan een (gedeeltelijke) bekentenis inhouden. In de bewijsconstructie komt deze variant van de verdachtenverklaring het meest voor. Als de verdachte daarentegen aantoonbaar liegt, kan dat in bijzondere gevallen ook als bewijs tegen hem worden gebruikt. Dan moet de leugenachtigheid van de verklaring zijn aangetoond met ander bewijsmateriaal.

Een weigering van de verdachte om een verklaring af te leggen, bijvoorbeeld door gebruik te maken van het zwijgrecht, kan niet als bewijsmiddel gelden. De Hoge Raad heeft dat meermalen bevestigd. Het inroepen van het zwijgrecht door de verdachte kan uiteindelijk wél in zijn nadeel uitpakken. Een niet gegeven verklaring van de verdachte kan namelijk leiden tot een uitleg van andere belastende bewijzen ten nadele van de verdachte: hij heeft niets ontlastends daartegen ingebracht terwijl deze belastende bewijzen ‘schreeuwen om een uitleg’.

Interessant is de zogenaamde bewijsminimumregel dat een bewezenverklaring niet alleen op de verklaring van de verdachte mag steunen. Ook al ‘bekent’ de verdachte volmondig het hem ten laste gelegde feit, dan nog dient voor een bewezenverklaring op relevante onderdelen steun hiervoor te worden gevonden in een of meer andere bewijsmiddelen (art. 341 lid 4 Sv). De wetgever heeft met deze wettelijke bepaling laten blijken te realiseren dat verdachten om meerdere redenen verklaringen kunnen afleggen die niet juist zijn. Het risico dat de verdachte hierdoor ten onrechte zou kunnen worden veroordeeld werd als te groot geacht.

De rechter kan veelal volstaan met de weergave van het resultaat van die selectie en waardering

Bij een ‘duidelijke en ondubbelzinnige bekentenis’ van de verdachte, op alle relevante onderdelen van de tenlastelegging, heeft de rechter wel minder werk bij het opmaken van het schriftelijk vonnis. In veel gevallen kan dan namelijk worden volstaan met een opgave van de gebruikte bewijsmiddelen (art. 359 lid 3 Sv).

Als de rechter naar aanleiding van een terechtzitting waarop de zaak inhoudelijk is behandeld tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit komt, hoeft hij het selectie- en waarderingsproces maar heel beperkt te verantwoorden in het vonnis. De rechter kan veelal volstaan met de weergave van het resultaat van die selectie en waardering. Het vonnis dient alleen de bewijsmiddelen en daaruit de redengevende feiten en omstandigheden te bevatten op basis waarvan de rechter (tevens) tot de overtuiging is gekomen dat het ten laste gelegde feit door de verdachte is begaan. Uitgezonderd zijn enkele bijzondere gevallen genoemd in art. 360 lid 1 Sv (Zie hierover: G.H. Meijer en R. ter Haar, De weg naar het moderne strafvonnis, Boom Juridische uitgevers, Den Haag 2015, p. 338-339).

Rechterlijke dwalingen uit het verleden helpen ons valkuilen te ontdekken

De strafpraktijk: een prangende vraag
Met name is in strafzaken de prangende vraag, los van de juridische finesses: ‘heeft hij of zij het écht gedaan?’ Deze vraag interesseert de jurist, maar ook menig burger. Dit is een heel terechte en scherpe vraag. Het is in elk geval dé vraag die elke rechter zich ook zou moeten stellen. Deze vraag leidt minder snel tot dwalingen ten aanzien van de bewijsbeslissing, dan dat de vraag zou worden gesteld of een verdachte met het bewijsmateriaal zou kunnen worden veroordeeld. En de vervolgvraag is: op welke valkuilen moet een rechter letten? Wat zijn aanwijzingen (voor en tegen) waarop zou moeten worden gelet? Rechterlijke dwalingen uit het verleden helpen ons valkuilen te ontdekken.

Rechtspraak is mensenwerk

Rechterlijke dwalingen
Rechtspraak is mensenwerk. Dat blijkt wel uit de zaken die de geschiedenisboeken zijn ingegaan als rechterlijke dwalingen.

De meest bekende gerechtelijke dwalingen van de afgelopen decennia zagen we in de Schiedammer parkmoord, de Puttense moordzaak, de Paskamermoord, Lucia de B., Ina Post en de Showbizzmoord. Wij bedoelen hier gerechtelijke dwaling in de ruimste zin des woords, dus ook indien de rechter ontoereikend was voorgelicht en op basis daarvan tot een (onjuiste) beslissing kwam.

In de fasen van opsporing, vervolging, berechting tot aan de veroordeling werden achteraf bezien fouten gemaakt. De wijze waarop de rechter het bewijs in deze strafzaken waardeerde en tot zijn overtuiging kwam oogstte veel kritiek, vooral van de kant van verschillende deskundigen. Hieronder worden de zaken beschreven waarin een onjuiste toepassing van verhoortechnieken aan de orde kwam, met alle gevolgen van dien.

In de zaak Schiedammer parkmoord hadden de rechters volgens rechtspsycholoog Van Koppen de bekentenissen van Kees B. moeten wantrouwen

Treffend heeft de strafrechtspsycholoog P. van Koppen in de Puttense moordzaak naar aanleiding van de analyse van de verhoren geconcludeerd dat de verdachten Viets en Du Bois, gelet op de gehanteerde methoden, zelfs de moord op Bonifatius nog zouden hebben bekend. De bekentenissen van Viets en Du Bois, die later door hen werden ingetrokken, waren onder druk en soms diep in de nacht tot stand gekomen vanwege de tientallen verhoren die plaatsvonden. Onder die druk, waarbij de verdachten ook nog tegen elkaar werden uitgespeeld, bezwijkt bijna iedereen.

In de zaak Schiedammer parkmoord hadden de rechters volgens rechtspsycholoog Van Koppen de bekentenissen van Kees B. moeten wantrouwen. Er waren aanwijzingen dat de bekentenissen tot stand waren gekomen na toepassing van verhoortechnieken waarmee deze verdachte tot een bekentenis kon worden ‘verleid’. Er waren tegenstrijdigheden tussen die bekentenissen en de verklaringen van het overlevende slachtoffer. De valse bekentenis in deze zaak is aanleiding geweest om het politieverhoor van bepaalde typen verdachten met enkele extra waarborgen te omkleden, zoals audiovisuele registratie van deze verhoren zodat achteraf objectief kan worden vastgesteld op welke wijze en onder welke omstandigheden een verklaring tot stand is gekomen. Deze waarborg geldt in elk geval voor zgn. ‘kwetsbare’ verdachten: minderjarige personen met een verstandelijke beperking en met een cognitieve functiestoornis.

In de zaak Ina Post werd in het kader van een vierde herzieningsverzoek aangedragen dat door rechtspsychologen was geconcludeerd dat er aanwijzingen waren dat de door Post afgelegde bekentenissen vals waren. Dit bleek onder andere uit psychodiagnostisch onderzoek, verhoren met suggestieve vragen en daderwetenschap die mogelijk door de politie was aangedragen. De Hoge Raad wees deze herzieningsaanvraag als kennelijk ongegrond af.

Bij een vijfde herzieningsverzoek werd een succesvol novum aangedragen, dat leidde tot een gegrondverklaring van de herzieningsaanvraag. Volgens forensisch patholoog-anatoom Van de Goot kon het overlijden van het slachtoffer niet plaats hebben gehad omstreeks het tijdstip dat door Ina Post in haar bekentenissen was genoemd (Bij de beschrijving van deze rechterlijke dwalingen is informatie geput uit: G.H. Meijer en R. ter Haar, De weg naar het moderne strafvonnis, Boom Juridische uitgevers, Den Haag 2015, p. 349-353. Zie ook: H. Merckelbach, R. Horselenberg en M. Jelicic, ‘Een bekentenis en haar gevolgen’, in: Maandblad geestelijke volksgezondheid, 2003-11, p. 997-1017).

De verdachte zat ten onrechte bijna 8 jaren vast in detentie en in tbs-klinieken

In de zaak beter bekend onder de naam Showbizzmoord werd de verdachte bij arrest in herziening door het Gerechtshof Den Haag die de zaak opnieuw moest onderzoeken vrijgesproken d.d. 14 juni 2016. De verdachte was in 1984 door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens doodslag op een platenproducer. Het Gerechtshof Amsterdam had de bewezenverklaring in de kern bezien gebaseerd op bewijsmateriaal dat middellijk of onmiddellijk was terug te voeren op de verklaringen en uitlatingen van de verdachte zelf. Ander bewijsmateriaal voor het daderschap van de verdachte in het dossier ontbrak. De zaak eindigde alsnog met vrijspraak, omdat een nieuw gedragsdeskundigenrapport over de persoon van de verdachte gegronde twijfel deed rijzen omtrent de geloofwaardigheid van zijn bekennende verklaringen. De bekentenissen waren volgens het hof bij nader inzien niet betrouwbaar om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt. De verdachte zat ten onrechte bijna 8 jaren vast in detentie en in tbs-klinieken. (vgl. ook de Volkskrant, 30 mei 2016).

Gerede twijfel moet daarom uiterst serieus worden genomen

Kritische blik
Gerechtelijke dwalingen lijken uiteindelijk onvermijdelijk, want zoals gezegd: rechtspraak is mensenwerk. De menselijke drama’s die daarvan het gevolg (kunnen) zijn, illustreren de grote verantwoordelijkheid van de rechter. Alles moet uit de kast worden getrokken om te voorkomen dat zo’n drama zich voordoet. Gerede twijfel moet daarom uiterst serieus worden genomen. Uit voornoemde zaken zijn de nodige lessen getrokken voor de toekomst. Politie, Openbaar Ministerie en rechters moeten altijd met een kritische blik naar de zaak blijven kijken. Bekentenissen van verdachten moeten ook altijd kritisch worden beoordeeld. Daarbij moet ontlastend materiaal niet al te gemakkelijk worden genegeerd. Verdachten moeten bovendien niet het nadeel van de twijfel krijgen. Wat dan te doen indien de bewezenverklaring in belangrijke mate steun vindt in een eerder afgelegde, maar later ingetrokken bekentenis? Uit onder andere de hiervoor aangehaalde en beschreven zaken blijkt dat uiterst behoedzaam met een dergelijke eerdere bekentenis moet worden omgegaan. Is zo’n eerdere bekentenis dan een valse bekentenis? Dat zou zomaar kunnen. Er kunnen tal van verschillende soorten valse bekentenissen worden onderscheiden, in te delen naar de invloed die door de ondervragers is uitgeoefend. Een verdachte kan heel verschillende motieven hebben om te bekennen, of geloven schuldig te zijn terwijl dit in werkelijkheid niet zo is. Een verdachte kan ook weten onschuldig te zijn, maar toch bekennen vanwege het belang gunsten te krijgen, geen confrontatie te verdragen (toegeeflijk zijn, hoge compliance score in de persoonlijkheid) of vanwege sensatiezucht.

Wanneer naast de valse bekentenis op specifieke punten ondersteunend bewijsmateriaal aanwezig is, dan wordt aan de naderhand ingetrokken bekentenis veelal niet meer te zeer getwijfeld, zo leert de (rechts)praktijk

Een valse bekentenis kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van het uitoefenen van teveel druk op een verdachte, waardoor de verdachte bekent. Dat kan ook gebeuren bij heel goed en vriendelijk verlopende verhoren; de mate van druk die daarvan kan uitgaan op een specifieke verdachte ligt niet altijd voor de hand. Wanneer naast de valse bekentenis op specifieke punten ondersteunend bewijsmateriaal aanwezig is, dan wordt aan de naderhand ingetrokken bekentenis veelal niet meer te zeer getwijfeld, zo leert de (rechts)praktijk. Het confronterende is, en blijft, dat mensen onder de ‘juiste omstandigheden’ (ook zonder het bestaan van een stoornis) in staat zijn iets strafbaars te bekennen wat zij niet hebben gedaan. De rechter zal daarop bedacht moeten zijn, hoe verleidelijk het misschien ook is een bekentenis snel als sterk en handzaam bewijs te gebruiken bij een bewezenverklaring.

Gelukkig gloort er licht na de geruchtmakende gerechtelijke dwalingen van afgelopen decennia

Er gloort licht
Gelukkig gloort er licht na de geruchtmakende gerechtelijke dwalingen van afgelopen decennia. Zo blijkt uit een recent gepubliceerd en lezenswaardig arrest van het Hof Amsterdam weer eens dat de verklaring van een bekennende verdachte onbetrouwbaar kan zijn en rechters dat ook zo beoordelen. In deze zaak stond een bejaarde verdachte, een sportmasseur bij een voetbalvereniging, terecht wegens ontucht met twee minderjarige jongens. Alles overziend oordeelde het hof onvoldoende overtuigd te zijn van de betrouwbaarheid van de bekentenis. Het hof sprak de verdachte vrij van ontucht, want de bekentenis van de verdachte was nodig om hem te kunnen veroordelen. De verdachte werd in deze zaak door de recherche stevig onder druk gezet met gesloten, tendentieuze en sturende vragen. Ook legden ze hem woorden in de mond en vertelden hem dat hij langer zou blijven vastzitten als hij moeite zou blijven hebben om ‘erover’ te praten. Na het beluisteren van de geluidsbanden constateert het hof dat de toon van de ondervraging stevig was en dat ‘van enige druk zeker kan worden gesproken’. Er zijn zeer indringende vragen gesteld en op de verdachte is meermalen een moreel appel gedaan, bijvoorbeeld toen hem werd voorgehouden dat de verbalisanten, uitgaande van de lezing van de verdachte, de slachtoffers voor leugenaars moesten uitmaken, waardoor deze jongens (nog meer) beschadigd zouden kunnen raken. Het hof constateerde verder dat de communicatie tussen de verbalisanten en de verdachte op verschillende momenten een tamelijk eenzijdig karakter had. Sommige passages kunnen welhaast worden getypeerd als minuten durende monologen van de zijde van de verbalisanten.

Het verdient aanbeveling in zoveel mogelijk zaken de verhoren audiovisueel op te nemen waarbij ook de verhoorders te zien zijn

Perspectief
Om de rechters toch behulpzaam te zijn bij het nemen van een juiste bewijsbeslissing waarmee de samenleving en de primair betrokkenen in het strafproces zijn gediend, verdient het aanbeveling in zoveel mogelijk zaken de verhoren audiovisueel op te nemen waarbij ook de verhoorders te zien zijn. De totstandkoming en betrouwbaarheid van afgelegde verklaringen kunnen dan door alle professionals die betrokken zijn in de strafzaak achteraf worden getoetst. Een andere waarborg om de kwaliteit van een bekentenis optimaal te laten zijn, is het bijwonen van een verhoor door een advocaat (nadat consultatiebijstand voorafgaand aan het eerste verhoor is geboden). Tegenwoordig is dat recht gelukkig ook in onze nationale wetgeving vastgelegd. Een verdachte wil er soms het zwijgen toe doen, terwijl de tegenstrijdigheden in de situatie waarin hij door de politie werd aangetroffen ‘schreeuwen om een verklaring’ (zie EHRM 8 februari 1996, nr. 18731/91 (John Murray t. het Verenigd Koninkrijk), die hij vervolgens niet hoeft te geven, maar dat zwijgen kan vervolgens wel in zijn nadeel worden uitgelegd. Dat aandringen op een verklaring kan en mag, als de verdachte geen beroep heeft gedaan op het zwijgrecht, best stevig zijn. Een verhoor is immers geen theekransje. De advocaat dient dan onder meer wel te kunnen bewaken dat de verhoren binnen de grenzen van het toelaatbare verlopen. Ook geldt een extra een motiveringsplicht voor de rechter (art. 359 Sv). Komt een verdachte terug op een eerdere bekentenis, dan zal de rechter die de verdachte toch aan diens eerdere bekentenis wil houden, om daarop in belangrijke mate het bewijs te baseren, daar uitleg bij moeten geven. De rechter dient te motiveren in zo’n geval waarom hij tot het oordeel komt dat de ingetrokken bekentenis tóch betrouwbaar is. Dat is een lastige taak voor de rechter, en al helemaal als de verdachte niet alleen de eerdere bekentenis intrekt, maar ook een nieuwe afwijkende verklaring aflegt die steun vindt in feitelijke gegevens die volgen uit ander bewijsmateriaal. Er zijn overigens meer waarborgen te noemen, denk bijv. ook aan georganiseerde tegenspraak binnen de politie en justitie en het voorzichtig omgaan met het verstrekken van daderwetenschap aan de verdachte.

Wij zijn ervan overtuigd dat veel rechters zich wel bewust zijn van het gevaar dat een verdachte een valse bekentenis kan hebben afgelegd

Resumé
De rechter dient in de rechtszaal kortom altijd op zijn hoede te zijn. Ons rechtssysteem in strafzaken is nu eenmaal feilbaar. Valse bekentenissen moeten worden doorgeprikt, de rechter dient daarom minst genomen de mogelijkheid dat een bekentenis vals is te overwegen en te toetsen. Wij zijn ervan overtuigd dat veel rechters zich wel bewust zijn van het gevaar dat een verdachte een valse bekentenis kan hebben afgelegd. Overigens mag in dit verband ook worden gezegd: de rechtspraak in Nederland scoort volgens de gezaghebbende Rule of Law Index nog altijd in de wereldtop! Wanneer een toekomstige verdachte anno 2017 de veronderstelde moord zou bekennen op Bonifatius bij Dokkum die zou zijn gepleegd op 5 juni 754, dan is de valsheid van deze bekentenis wel een gegeven. Er zijn echter vele malen subtieler onterechte afgelegde bekentenissen, die op het eerste gezicht als sterk bewijs hebben te gelden maar het tóch niet blijken te zijn. Geruchtmakende strafzaken waarin rechterlijke dwalingen aan de orde bleken maken duidelijk dat de intrekking van een bekentenis juist waarachtig kan zijn.

Vrijspreken is ook rechtspreken! Welke rechter spreekt niet ‘graag vrij’, als dat recht doet in de strafzaak die voorligt?

Met dank aan mr. Aco Verhaegh (Senior Gerechtssecretaris Gem. Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba) voor het kritisch doorlezen van dit blog