“Ik weet het niet meer meneer de rechter”

“Ik weet het niet meer meneer de rechter”
15 juni 2017 5826 keer bekeken

Thomas wordt ervan verdacht op vrijdagnacht een serie vernielingen te hebben gepleegd, en een vrouw met een mes te hebben gestoken. Hij voldoet aan het signalement en daarnaast is het paspoort van Thomas op straat aangetroffen, vlakbij de vernielde goederen. Thomas stelt zich alleen nog te kunnen herinneren dat hij na een heftige ruzie met zijn vriendin naar het café op de hoek is gegaan in welke nabijheid de delicten zouden zijn gepleegd, en in korte tijd veel alcohol te hebben gedronken. Thomas stelt wel te willen verklaren nu hij zich niet kan voorstellen zich aan dergelijke feiten schuldig te hebben gemaakt, maar dit niet te kúnnen nu hij zich de avond niet meer kan herinneren.

Geheugenverlies in de strafrechtelijke context
Het is geen zeldzaamheid dat verdachten zich beroepen op geheugenverlies voor wat betreft de tijdsperiode waarin de ten laste gelegde feiten zich hebben voorgedaan. Met name wanneer er sprake is van levensdelicten wordt relatief vaak door verdachten gesteld te lijden aan amnesie, oftewel geheugenverlies voor een gebeurtenis die men zich eigenlijk zou moeten herinneren. Vanuit psychologisch perspectief is het echter allerminst een vanzelfsprekendheid dat het begaan van een strafbaar feit niet meer kan worden herinnerd (H. Merckelbach & K. van Oorsouw, ‘Daders met geheugenverlies’ uit: Reizen met mijn rechter: Psychologie van het recht; onder redactie P.J. van Koppen, H. Merckelbach, M. Jelicic, J.W. de Keijzer. Deventer: Kluwer, 2010, p. 789).

In zoverre bieden de statistieken dan ook geen ondersteuning voor de verklaring van Thomas

Dát amnesie veelal geveinsd wordt in de strafrechtelijke context volgt ook uit het feit dat 30 tot 50% van de daders die aanvankelijk amnesie voor het delict stellen te hebben, deze claim opgeven nadat ze onherroepelijk zijn veroordeeld (N.M. Pyszora, A.F. Barker & M.D. Koppelman, ‘Amnesia for criminal offences: A study of life sentence prisoners’ uit: Journal of Forensic Psychiatry and Psychology, 14 (2003), p. 475-490). In zoverre bieden de statistieken dan ook geen ondersteuning voor de verklaring van Thomas.

Desalniettemin komen alcohol black-outs zoals door Thomas gesteld voor (H. Merckelbach & K. van Oorsouw (2010), p. 799). Vereist is dat de bloedalcohol concentraties dusdanig hoog zijn (aangenomen wordt dat sprake moet zijn van promillages van 2.5 promille of meer) dat een toestand van dissociatie kan optreden. Wanneer iemand dissocieert, treedt er een verandering of verstoring van de normaal geïntegreerde functies van bewustzijn, geheugen, identiteit of motorisch gedrag op zonder dat er bewustzijnsdaling plaatsvindt. Dat wil zeggen dat de persoon in kwestie wakker is en op zijn omgeving een redelijk georiënteerde indruk maakt, maar dat hij zijn handelingen desondanks niet bewust meemaakt (K. van Oorsouw & J. Ramaekers, ‘Delicten en verklaringen onder invloed van alcohol en drugs’, uit: Reizen met mijn rechter: Psychologie van het recht; onder redactie P.J. van Koppen, H. Merckelbach, M. Jelicic, J.W. de Keijzer. Deventer: Kluwer, 2010, p. 563).

Op voorhand kan dan ook niet gesteld worden dat de verklaring van Thomas per definitie onaannemelijk is

Op voorhand kan dan ook niet gesteld worden dat de verklaring van Thomas per definitie onaannemelijk is en slechts wordt ingegeven vanuit de wens geen openheid van zaken te geven. Nader onderzoek naar de geloofwaardigheid van de verklaring van een verdachte die stelt zich niets meer te kunnen herinneren ten gevolge van een alcohol black-out kan in de strafrechtelijke context dan ook aangewezen zijn.

Verschil daadwerkelijk en geveinsd geheugenverlies
Daadwerkelijk en geveinsd geheugenverlies verschillen op belangrijke punten van elkaar. Zo is het geveinsde geheugenverlies ten gevolge van een alcohol black-out vaak plotseling in begin- en eindpunt en betreft het doorgaans een specifieke gebeurtenis. Mensen die daadwerkelijk lijden aan geheugenverlies ten gevolge van een alcohol black-out rapporteren meestal een onduidelijk begin- en eindpunt. Een ander verschil is dat geveinsd geheugenverlies vaak volledig is en over een langer tijdsbestek. Mensen die het geheugenverlies veinzen beweren zich weken of maanden later nog altijd niets te herinneren, terwijl daadwerkelijk geheugenverlies ten gevolge van een alcohol black-out wordt gekenmerkt door zogenaamde “herinneringseilandjes”. Mensen met daadwerkelijk geheugenverlies hebben vaak het gevoel dat ze met wat hulp de herinnering wel weer terug kunnen vinden. Het geheugenverlies krimpt vaak ook met het verloop van de tijd, terwijl geveinsde amnesie gelijk blijft of zelfs uitbreidt. Ook is het van belang te bezien welk gedrag men stelt niet meer te kunnen herinneren. Zo is een alcohol black-out voor complex gedrag onaannemelijk (zoals bijvoorbeeld het van een afstand gericht schieten op een persoon) nu de fijne motoriek ook vrij snel verstoord raakt ten gevolge van een hoge alcoholdosis.

Testen
Behalve de hier genoemde criteria om geveinsd van daadwerkelijk geheugenverlies ten gevolge van een alcohol black-out te onderscheiden, kan de verklaring ook door een gespecialiseerde deskundige op haar geloofwaardigheid worden getoetst met behulp van testen zoals de Symptom Validity Test (SVT) en de Structured Inventory of Malingered Symptomatology (SIMS) (K. van Oorsouw en J. Ramaekers (2010), p. 577). Dit zijn testen die speuren naar uitingen van overrapportage en onderprestatie. De SIMS is een zelfrapportagetest en gaat ervan uit dat mensen die geheugenverlies veinzen zullen proberen te overdrijven en op ruimere schaal zullen bevestigen dat zij last hebben van bizarre, onwaarschijnlijke en atypische symptomen. Een voorbeeld van een taak die onderprestatie peilt is de SVT. De SVT is gebaseerd een simpele uitganspunt; stel de verdachte een aantal twee-keuze (goed-fout) vragen over het delict dan wel de omstandigheden (waarvan vaststaat dat de verdachte daarover zou kunnen verklaren indien hij geen amnesie zou hebben) en geef hem daarbij de instructie te gokken wanneer hij het niet meer weet. De verdachte met echte amnesie zal voortdurend moeten gokken en uitkomen op een percentage van ongeveer 50% goede en 50% foute antwoorden. Wie aanmerkelijk vaker foute antwoorden geeft, ontwijkt de goede antwoorden en heeft blijkbaar kennis van het antwoord waarmee kan worden aangetoond dat de amnesie wordt gesimuleerd. Op het toepassen van dergelijke tests valt nog wel het een en ander af te dingen en het is dan ook van belang dat deze worden uitgevoerd door een deskundige met specialistische kennis van met name de diagnostische waarde van de gebruikte test (H. Merckelbach & K. van Oorsouw (2010), p. 803).

In algemene zin kan gesteld worden dat wanneer een verdachte claimt te lijden aan amnesie, deze bewering met scepsis tegemoet moet worden getreden

Conclusie
In algemene zin kan gesteld worden dat wanneer een verdachte claimt te lijden aan amnesie, deze bewering met scepsis tegemoet moet worden getreden. In de strafrechtelijke context is de kans dat een verdachte veinst aan amnesie te lijden immers vele malen groter dan dat werkelijk sprake is van amnesie. Desalniettemin kan er reden zijn om nader onderzoek te verrichten naar de geloofwaardigheid van de gestelde amnesieclaim. Allereerst kan worden nagegaan of de gestelde amnesie überhaupt mogelijk is gezien de gestelde alcoholinname en daarnaast kan de verklaring langs de lat van de genoemde criteria worden gelegd. Indien de verklaring van de verdachte hieraan voldoet, kan vervolgens worden overwogen om hem aan testen te onderwerpen om de geloofwaardigheid van de amnesieclaim te toetsen. Wanneer uiteindelijk de stap wordt gemaakt om de verdachte daadwerkelijk aan testen te onderwerpen, is het van belang dat op voorhand wordt nagegaan of de aangezochte deskundige ook gespecialiseerd is in het toepassen van dergelijke tests gezien de vereiste specialistische kennis. Alleen dan kan immers een betrouwbaar testresultaat worden verkregen.

Opmerkingen