Swipe to the left

Is het billijk om de hand op de knip te houden bij een beleidssepot?

Print
Is het billijk om de hand op de knip te houden bij een beleidssepot?
By 11 september 2018 3443 keer bekeken Geen opmerkingen

Het Openbaar Ministerie kan na bestudering van het dossier (al dan niet na een verzoek daartoe van de verdediging) besluiten om van vervolging af te zien. Het kan, anders gezegd, de zaak seponeren en heeft in dat kader een behoorlijk palet aan mogelijkheden tot zijn beschikking. Blijkens de Aanwijzing gebruik sepotgronden valt er een hoofdonderscheid te maken tussen technische sepots en beleidssepots. De beleidssepots zijn vervolgens weer in te delen in verschillende categorieën, waarbij de afzonderlijke sepotcodes onder andere verband houden met de aard van het feit, de aard van de persoon, dan wel de verhouding tussen de verdachte en degene die aangifte heeft gedaan. Bij de beleidssepots is er vaak een verschil van mening tussen de verdediging en het Openbaar Ministerie over de vergoeding van de advocaatkosten. Hoe gaan de feitenrechters hiermee om en valt er een zekere lijn in de jurisprudentie waar te nemen?

Het indienen van een verzoekschrift bij de rechtbank
Bij zowel een technisch sepot als een beleidssepot is de strafzaak geëindigd als bedoeld in artikel 89 en/of 591a Sv: er is geen straf of maatregel opgelegd en evenmin is toepassing gegeven aan artikel 9a Sr (het zogenaamde ‘rechterlijk pardon’). Na een sepot kan de betrokkene indien hij een advocaat op betaalde basis in de arm heeft genomen een verzoekschrift ex artikel 591a Sv bij de rechtbank indienen. Het beoordelingscriterium hierbij is de billijkheid. Ingevolge artikel 90 Sv vindt toekenning van een vergoeding plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij een technisch sepot is de billijkheid min of meer een gegeven en wordt het naar aanleiding daarvan ingediende verzoekschrift doorgaans zonder behandeling ter terechtzitting (mits de opgevoerde kosten niet bovenmatig zijn) toegewezen.

Standpunt OM
Bij een beleidssepot is dat in de regel anders. In vrijwel alle zaken waarbij sprake is van een beleidssepot, is het standpunt van het Openbaar Ministerie kort en bondig: afwijzen, ‘want op basis van het dossier had een veroordeling kunnen volgen’. Het afzien van vervolgen houdt verband met opportuniteitsredenen. Wees blij dat er niet is vervolgd en zeur niet verder, zo lijkt de gedachte te zijn. De vraag is of die korte en bondige reactie in iedere zaak afdoende is. Strafrecht is maatwerk, nietwaar? Daar komt bij dat het Openbaar Ministerie de zaak ook verkeerd kan hebben beoordeeld. Er is een beleidssepot opgelegd, terwijl een technisch sepot in de rede lag. In tijden van bezuinigingen zou zelfs gewezen kunnen worden op de (perverse) prikkel om juist een beleidssepot op te leggen. Dat is wel heel negatief geformuleerd, maar ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat dit kostenaspect wel degelijk meespeelt in de afdoeningswijze van een zaak. Dit baseer ik onder andere op één van de voorwaarden die bij transacties doorgaans wordt opgenomen, namelijk dat wordt afgezien van het vragen van een schadevergoeding ex artikel 591a Sv.

Rechterlijke toets
Het is dan ook van belang dat rechters het beleidssepot-label dat het Openbaar Ministerie op een zaak plakt, niet voor zoete koek slikken. Er moet ‘met een rechtersbril’ naar de zaak worden gekeken. Rechtbank Noord-Nederland hanteert – afgaande op de enkele gepubliceerde beschikkingen – als toetsingskader de vraag of de zaak, indien deze door een strafrechter zou zijn beoordeeld, onmiskenbaar zou hebben geleid tot het niet opleggen van een straf of maatregel (Rechtbank Noord-Holland 21 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11102). Het beleidssepot wordt ‘vol’ getoetst. In een zaak van begin dit jaar is door diezelfde rechtbank overwogen dat gelet op de jurisprudentie ‘op onjuiste gronden’ tot een beleidssepot is overgegaan (Rechtbank Noord-Nederland 28 maart 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1191). Juist omdat een technisch sepot opgelegd had moeten worden, is het billijk om de advocaatkosten te vergoeden.

In een beschikking van Rechtbank Den Haag wordt vanuit diezelfde gedachtegang geredeneerd, alleen is het criterium iets milder. Gekeken is naar de aanmerkelijke kans dat aan de verdachte geen straf of maatregel zou zijn opgelegd. De zaak tegen de betrokkene was geseponeerd middels code 53 (gezondheidsredenen). Gelet op de gezondheidstoestand van de betrokkene is de ‘kans aanmerkelijk te achten (…) dat aan [hem] geen straf of maatregel zou zijn opgelegd’ (Rechtbank Den Haag 31 mei 2016, NBSTRAF 2016/156).

Aan de hand van meer recente gepubliceerde beschikkingen, wordt gekeken naar de vraag of de betrokkene de kosten over zichzelf heeft afgeroepen, of deze aan zijn eigen houding te wijten heeft (Vgl. HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566). Als dat niet zo is, is het billijk om de advocaatkosten (wel) te vergoeden.

Hof Amsterdam overwoog dat ‘(l)outer het gegeven dat de zaak is geseponeerd omdat het een feit van betrekkelijk geringe aard/omvang betreft, (…) onvoldoende’ is om ‘de conclusie [te] rechtvaardigen dat appellant de kosten van rechtsbijstand aan zijn eigen houding te wijten heeft’ (Gerechtshof Amsterdam 13 februari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:503). De Rechtbank Gelderland oordeelde op basis van de stukken ‘dat, al zou kunnen worden gesproken van een strafrechtelijk relevant aandeel van verzoekster bij strafbare feiten, dit aandeel zo gering is geweest dat verzoekster niet kan worden tegengeworpen dat zij de kosten voor rechtsbijstand over zichzelf heeft afgeroepen.’ (Rechtbank Gelderland 2 augustus 2017, NBSTRAF 2017/305). De Rechtbank Den Haag kwam tot een toekenning van advocaatkosten bij een burenruzie waarbij aanvankelijk met de wijkagent was afgesproken dat er niet over en weer aangifte zou worden gedaan. Nu de buren tóch aangifte hebben gedaan en betrokkene door de politie niet in de gelegenheid is gesteld om óók aangifte te doen, is het ‘niet aan verzoekster te wijten dat zij rechtsbijstand heeft gezocht’ (Rechtbank Den Haag 29 mei 2018, NBSTRAF 2018/227).

Wanneer is het wel aan de betrokkene te wijten? Volgens de Rechtbank Amsterdam op het moment dat de betrokkene weigert administratie te overleggen, waardoor hij ‘zelf bijgedragen [heeft] aan het ontstaan en vergroten van de schade waarvan hij in de onderhavige procedure om vergoeding verzoekt’ (Rechtbank Amsterdam 8 augustus 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:5862). Volgens de Rechtbank Den Haag door het zetten van een handtekening voor een andere verbalisant onder een ambtsedig proces-verbaal: ‘Het is immers evident dat dergelijk handelen van een verbalisant niet acceptabel is en het in de lijn der verwachtingen ligt dat daar (strafrechtelijk en/of disciplinair) onderzoek naar wordt gedaan’ (Rechtbank Den Haag 13 februari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:1503).

Slot
Indien sprake is van een beleidssepot, dienen advocaten bij het opstellen van een verzoekschrift ex artikel 591a Sv allereerst te beoordelen of dat terecht is. Lag een technisch sepot niet in de rede? Als dat het geval is, moet dat worden uitgelegd. Voorts zal gemotiveerd moeten worden dat en waarom het niet te wijten is aan de betrokkene dat hij rechtsbijstand heeft gezocht, dan wel dat het niet aan hem te wijten is dat hij een (betaalde) advocaat in de arm heeft genomen. Blijkens de gepubliceerde beschikkingen toetsen rechters aan deze vragen en zijn zij zonder meer niet geneigd om af te gaan op het door het Openbaar Ministerie opgeplakte beleidssepot-label. Magistratelijk wordt beoordeeld of het in de gegeven omstandigheden al dan niet billijk is om de hand op de knip te houden.


Posted in: Strafrecht