Swipe to the left

Motiveren is zilver, recht spreken is goud

Print
By 11 april 2017 61553 keer bekeken Geen opmerkingen

Als de verdediging een dossier ter beschikking krijgt van justitie, zit zij niet zelden met een min of meer voldongen onderzoek. Voor het behartigen van de procesbelangen van de verdediging, én vaak ook voor de waarheidsvinding, kan het dan nodig zijn dat vervolg- c.q. “tegen”onderzoek plaatsvindt. Men denke bijvoorbeeld aan de situatie dat het onderzoek te eenzijdig uitgevoerd is of dat bij het horen van getuigen bepaalde aspecten onderbelicht zijn gebleven.

Deze gelegenheid zal ik niet aangrijpen om de frustraties te ventileren die geregeld aan de zijde van de verdediging bestaan ten aanzien van te beperkte of eenzijdige onderzoeken. Ik zal mijn aandacht richten op een andere frustratie, te weten: de energie die tegenwoordig – mijns inziens onnodig – vaak verloren gaat op de momenten dat de verdediging onderzoek wenst uit te (laten) voeren doordat overmatig aandacht lijkt te worden besteed aan procedurele randzaken. Daarbij koester ik een klein beetje de hoop dat dit pleidooi kan leiden tot een toeschietelijkere benadering van onderzoekswensen vanuit de verdediging en de kostbare energie van alle procespartijen zich weer ten volle kan richten op de daadwerkelijke rechtsvragen.

Van lijstjes naar boekwerken
In het strafproces is de verdediging om praktische redenen veelal afhankelijk van de magistratuur voor het (laten) uitvoeren van onderzoek in het strafproces. De meeste verdachten zijn zelf onvoldoende kapitaalkrachtig om op eigen houtje onderzoek uit te laten voeren. Het zelfstandig verhoren van getuigen is al helemaal lastig doordat de verdediging niet de positie heeft om een getuige te verplichten om op te komen dagen of om een getuige (naar waarheid) te laten antwoorden – niet dat ik de illusie heb dat (onderzoeks)rechters dat laatste wel hebben.

Een vaststelling mijnerzijds is dat de magistratuur in de loop der tijd steeds meer is gaan vragen van de verdediging om verzoeken om nader onderzoek te onderbouwen. Dat geldt ook – of misschien juist – als het gaat om het horen van getuigen, terwijl dit gewoon een recht is van de verdachte (zie onder andere art. 263 Sv en 6 lid 3 sub d EVRM). Het wordt telkens noodzakelijk geacht dat de verdediging haar belang aantoont. De Hoge Raad stelt daar al de nodige eisen aan, zeker als het gaat om “formele” of “vormverzuimgetuigen”,[1] maar de uitsmijter op dit vlak is wat mij betreft de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 maart jl. waarin zij met een eigen, buitenwettelijke, toepassing komt van het zwaardere noodzakelijkheidscriterium boven het verdedigingsbelang.[2]

Ongetwijfeld maakt deze ontwikkeling een einde aan de – naar ik mij kan voorstellen door rechters verdoemde – waslijsten aan onderzoekswensen, waarbij de verdediging gemakshalve elke persoon uit het dossier opnam. Maar ik vraag mij werkelijk af of deze strengere beoordeling van onderzoekswensen zoals die tegenwoordig plaatsvindt, ten goede komt aan de kwaliteit van het strafproces, waaronder het eerlijke proces voor een verdachte alsook de waarheidsvinding.

De Europeesrechtelijke invalshoek
In haar recent gepubliceerde conclusie brengt advocaat-generaal Spronken nog eens in herinnering hoe het Europese Hof voor de Rechten van de Mens omgaat met een verzoek van de verdediging om een (belastende) getuige te kunnen ondervragen.[3] Nog voordat geoordeeld moet worden of sprake is van een getuige met doorslaggevende betekenis (voor de bewezenverklaring), moet worden gekeken of een goede reden bestaat om het verzoek vanuit de verdediging te weigeren. En het enkele “onvoldoende motiveren” van dat verzoek is niet zomaar een goede reden. Bij een goede reden om de verdediging te weigeren om zelf een getuige te kunnen ondervragen, denkt het EHRM aan getuigen die onvindbaar of overleden zijn of aan kwetsbare personen (zoals minderjarigen of bedreigde getuigen). Spronken concludeert dan ook:

“3.8.38 (…) Uit de Straatsburgse jurisprudentie volgt – en dat lijkt door de ontwikkelingen in de Keskin-zaak te worden bevestigd – dat de rechter de verdediging, indien zij dat verzoekt, steeds in de gelegenheid moet stellen om de verklaringen van belastende getuigen te toetsen door deze getuigen te ondervragen, alvorens een veroordeling op die verklaringen te mogen baseren. Pas wanneer het, ondanks redelijke inspanningen daartoe, niet mogelijk is gebleken om de verdediging deze gelegenheid te bieden, komt de vraag aan de orde of en, zo ja, onder welke voorwaarden de verklaringen van die getuigen niettemin kunnen worden gebruikt als bewijs voor een veroordeling.

De consequentie is dan ook dat de feitenrechter een dergelijk verzoek niet mag afwijzen, tenzij de verdediging in een eerder stadium al de kans heeft gehad de getuige te ondervragen of als er een goede reden is dat de getuige niet door de verdediging ondervraagd kan worden.

3.8.39. Indien deze consequentie wordt aanvaard, dan heeft dat onmiskenbaar gevolgen voor de Nederlandse praktijk. In feite zou bij de beoordeling van verzoeken om het horen van belastende getuigen steeds de maatstaf van het verdedigingsbelang moeten worden aangelegd, zonder dat van de verdediging daarvoor een nadere motivering mag worden gevraagd. De potentiële mogelijkheid dat deze getuigenverklaringen voor het bewijs kunnen worden gebruikt is daartoe al voldoende. Wordt een dergelijk verzoek toch afgewezen, dan kan de verklaring niet voor het bewijs worden gebruikt, tenzij de verdediging hiertoe alsnog in de gelegenheid wordt gesteld. De verdediging kan hierop inspelen door verzoeken tot het horen van getuigen voorwaardelijk te doen. In die situatie hoeven de getuigen alleen te worden ondervraagd als de rechter de verklaringen voor het bewijs wil gebruiken.

De praktische invalshoek
Zoals eerder beschreven komt deze blog voort uit een frustratie uit de praktijk. Die ziet niet in de eerste plaats op de wijze waarop rechters in Nederland anders omgaan met het recht op een eerlijk proces dan het Hof in Straatsburg. Het komt hoofdzakelijk voort uit een onbegrip. Ik kan werkelijk niet inzien waarom zo krampachtig wordt omgegaan met verzoeken vanuit de verdediging. Uiteraard valt er wel wat te bedenken, zoals het geld of de tijd die dergelijk onderzoek kost. Dat is wat mij betreft echter weinig doorslaggevend. Een eerlijk strafproces, dat recht doet aan alle belangen, kost geld.

En laat ik in dit verband voorop stellen dat het Openbaar Ministerie zelf weinig gebonden lijkt te zijn door geld of tijd, in elk geval een stuk minder dan de verdediging (mocht dit de achterliggende gedachte van de weigering zijn). Maar van het OM wordt niet verlangd dat het tot in de den treure – en zonder succesgarantie – motiveert waarom zij bepaald onderzoek uitvoert. En dat is volkomen terecht! Maar waarom is de bandering van de verdediging dan zo anders?

Ik kan me niet voorstellen dat dit komt doordat de wensen van de verdediging zo onbegrijpelijk zijn. Zoals uit het citaat van Spronken al blijkt, is het veelal evident of bepaald onderzoek nodig is. Dat is het namelijk al op het moment dat een getuige als belastend of ontlastend gebruikt kan worden. Slechts bij een potentieel ontlastende getuige, die in het geheel nog niet (als zodanig) in de zaak is voorgekomen, kan ik me voorstellen dat het van belang is dat de verdediging aangeeft wat het belang van de getuige is. Voor het overige gaat een motivering – mijns inziens – weinig substantieels toevoegen. Mijn gedachten spelen hierbij met de woorden van Franken in zijn column in het Strafblad over het motiveren van de voorlopige hechtenis:

“Meer en beter motiveren is echter geen oplossing voor het echte probleem. Dat is dat te snel en te vaak tot toepassing van voorlopige hechtenis wordt besloten. Rechters moeten gewoon vaker beslissen dat een verdachte in vrijheid wordt gesteld, omdat er geen dwingende redenen zijn af te wijken van de altijd geldende regel dat een verdachte niet voorlopig gehecht behoort te zijn.”[4]

Wat dat betreft zit de advocatuur in hetzelfde schuitje als de rechterlijke macht en gelden deze woorden mutatis mutandis voor het onderwerp van deze blog: recht is recht! Het geven van een motivering van dat recht is geen doel op zich, maar voornamelijk een middel om eenvoudiger en begrijpelijker tot het eigenlijke doel te komen: recht doen aan de zaak. Daarbij is een kanttekening overigens nog dat discussies over het doen van nader onderzoek doorgaans het vrijwel exclusieve domein is van de juridische professionals. Anders dan bij de motivering van de voorlopige hechtenis, die bij uitstek begrijpelijk moet zijn voor de verdachte wie het betreft, is een motivering van onderzoekswensen (door de verdediging) niet eens een nevendoel. De deelnemende procespartijen zijn wijs genoeg om een en ander zelf in te kunnen schatten en te beoordelen, zonder bij het handje te worden genomen door de verdediging. Kortom, goede wijn behoeft geen krans.

Afronding
De kans dat de Hoge Raad, na zijn arrest van 1 juli 2014 en de scherper aangezette koers wat de beoordeling van verzoeken van de verdediging betreft, meegaat met de Europeesrechtelijke invalshoek van A-G Spronken is minimaal. Het zou een behoorlijke, principiële ommezwaai zijn met verstrekkende gevolgen; maar het zou – mijns inziens – tegelijkertijd de juiste koers zijn. Een koers die recht doet aan de gelijke procespositie van de verdediging én recht doet aan de waarheidsvinding. Immers, zelfs al zou de vrees gerechtvaardigd blijken dat de verdediging geen “objectief” onderzoek tegenover het onderzoek van justitie zet, dan nog is in elk geval sprake van onderzoek vanuit twee tegenstelde gezichtspunten, waar de rechter zijn voordeel mee kan doen.

Wat betreft de tweede invalshoek hoop ik oprecht dat dit tot enig inzicht in het verdedigingsperspectief kan leiden bij de magistratuur. Laten we niet flauw doen bij het beoordelen van onderzoekswensen door deze bovenmatig formalistisch te benaderen. Als we bijvoorbeeld kijken naar getuigenverzoeken dan is het vrijwel altijd direct duidelijk of de verzochte getuigen als belastend of ontlastend gebruikt kunnen gaan worden. In zo’n situatie is de verdediging domweg gebaat bij nader onderzoek omdat zij daarom verzoekt. Daarbij kan – vanzelfsprekend – niet vooraf de garantie worden gegeven dat het vervolgonderzoek nieuw (ontlastend) bewijsmateriaal oplevert, zolang het dat maar kán opleveren. Laat hierbij niet alle energie verloren gaan aan het motiveren van dat onderzoek (of de afwijzing daarvan), maar sta de verdediging het onderzoek toe dat nodig is om een eerlijk proces én een deugdelijke waarheidsvinding te garanderen. Motiveren is immers zilver, maar recht spreken is goud.



[1] HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, r.o. 2.6 en 2.7.

[2] Rechtbank Amsterdam, 17 maart 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1908.

[3] Parket bij de Hoge Raad 17 januari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:172.

[4] A.A. Franken, ‘Frustraties over de voorlopige hechtenis’, Strafblad 2017-11.

Posted in: Strafrecht