Swipe to the left

Na een discussie en wetgevend traject van 30 jaar is de Wet Bronbescherming in Strafzaken per 1 oktober 2018 van kracht

Print
Na een discussie en wetgevend traject van 30 jaar is de Wet Bronbescherming in Strafzaken per 1 oktober 2018 van kracht
By 16 oktober 2018 6443 keer bekeken Geen opmerkingen

Deze maand hebben zich op wetgevend terrein (in ieder geval) twee opmerkelijke ontwikkelingen voorgedaan. Het eerste in het oog springende onderwerp voor strafrechtadvocaten is de reikwijdte voor een nieuwe wet om ervoor te zorgen dat verdachten die psychisch onderzoek weigeren in de toekomst tóch in een tbs-kliniek kunnen worden behandeld. Dit onderwerp is afgelopen week op dit platform door confrère Holthuis voldoende behandeld met suggesties voor de praktijk. Het leek ons te veel van het goede om hier opnieuw over te schrijven, hoewel het laatste woord over dit onderwerp nog niet is gezegd.

Een andere mijlpijl die iets verder van ons (strafrechtadvocaten) staat, maar niet minder ingrijpend is, is de inwerkingtreding van de Wet Bronbescherming in Strafzaken. Tegelijk is ook de nieuwe ‘Aanwijzing toepassing dwangmiddelen en opsporingsbevoegdheden bij journalisten’(hierna: Aanwijzing) van het Openbaar Ministerie in werking getreden. Het is een beleidsdocument met dwingende regels met betrekking tot de uitoefening van taken en bevoegdheden van het Openbaar Ministerie.

Om de ‘strijd’ die is gestreden voor de Wet Bronbescherming in Strafzaken te benadrukken en daarmee het belang ervan te accentueren plaatsen wij een en ander in historisch perspectief door middel van onderstaande tijdlijn.

Tijdlijn

  • 1989: Kamerlid Erik Jurgens dient het wetsvoorstel Journalistiek Privilege in.
  • 1996:“Goodwin”-arrest. Dit bezorgt journalisten in Europa het recht op bronbescherming.
  • 2000: Koen Voskuil wordt 17 dagen gegijzeld. Hij weigert zijn bron te onthullen in de strafzaak tegen Mink K.
  • 2002: Justitie neemt op de redactie van Autoweek foto’s in beslag van illegale straatraces in Hoorn.
  • 2005: In België treedt de Wet Bronbescherming in werking.
  • 2006: Bart Mos en Joost de Haas worden in gijzeling genomen. Zij weigeren de bron bekend te maken die geheime dossiers van de AIVD zou hebben geleverd. De Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) dringt aan op een wettelijk verschoningsrecht.
  • 2007: Nederland wordt op de vingers getikt door het EHRM: Koen Voskuil had in 2000 niet gegijzeld mogen worden. Toenmalig minister van Justitie Ernst Hirsch-Ballin komt met een voorontwerp.
  • 2009: Er ligt een nieuw wetsvoorstel.
  • 2010: Het EHRM stelt Autoweek in het gelijk. De verantwoordelijk minister belooft beterschap.
  • 2012: Het EHRM stelt voor de derde keer vast dat Justitie en de veiligheidsdienst buiten hun boekje zijn gegaan in de zaak Mos/De Haas. De verantwoordelijke ministers beloven haast te maken met het wetsvoorstel.
  • 2014: Minister Opstelten stuurt het wetsvoorstel naar de Tweede Kamer.
  • 2016: De nieuwe sleepnetfunctionaliteit in het wetsvoorstel Wet op de Inlichtingen -en Veiligheidsdiensten (WiV) bedreigt de journalistieke bronbescherming.
  • 30 januari 2018: De Tweede Kamer behandelt het wetsvoorstel. De Studiecommissie Journalistieke Bronbescherming, waarin de NVJ is vertegenwoordigd, brengt 11 aanbevelingen onder de aandacht.
  • 6 februari 2018: De Tweede Kamer neemt het wetsvoorstel aan.
  • 3 juli 2018: Wetsvoorstel bronbescherming in strafzaken passeert Eerste Kamer.
  • 1 oktober 2018: Wet Bronbescherming in Strafzaken van kracht.

Wettelijke regeling

Met ingang van 1 oktober 2018 mogen journalisten en publicisten zich op grond van artikel 218a Sv verschonen van het beantwoorden van vragen over de identiteit van een bron. Een inbreuk op dit recht is alleen mogelijk indien bij het onbeantwoord blijven van deze vragen onevenredig grote schade zou worden toegebracht aan een zwaarder wegend maatschappelijk belang. De wettekst luidt als volgt:

  1. Getuigen die als journalist of publicist in het kader van nieuwsgaring, beschikken over gegevens van personen die deze gegevens ter openbaarmaking hebben verstrekt, kunnen zich verschonen van het beantwoorden van vragen over de herkomst van die gegevens.
  2. De rechter-commissaris kan het beroep van de getuige, bedoeld in het eerste lid, afwijzen indien hij oordeelt dat bij het onbeantwoord blijven van vragen aan een zwaarder wegend maatschappelijk belang een onevenredig grote schade zou worden toegebracht.

Bij de toepassing van de dwangmiddelen gelegitimeerd in de artikelen 126n, 126nd, 126u, 126ud en 126nda Sv is een toetsing door de rechter-commissaris aan het criterium van artikel 218a Sv vereist indien de vordering betrekking heeft op een journalist/publicist. Aan de artikelen 126n, tweede lid, 126nd, tweede lid, 126u, tweede lid, en 126ud, tweede lid, zijn hiervoor twee volzinnen toegevoegd die luiden:

Indien de vordering, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op een persoon die aanspraak kan maken op bronbescherming, kan deze slechts worden gedaan na schriftelijke machtiging, op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris. Artikel 218a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Voorts geldt dat een dergelijke inbreuk ten behoeve van strafvorderlijke belangen slechts is toegestaan onder de voorwaarde dat daaraan een zorgvuldige belangenafweging door bevoegde justitiële autoriteiten vooraf is gegaan. De vereisten van rechtmatigheid, proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid zijn hierbij leidend. Overschrijding van de grenzen kan een verzuim opleveren in de zin van artikel 359a Sv en kan dus (rechts)gevolgen hebben, zoals ook door het Openbaar Ministerie opgemerkt in de eigen Aanwijzing.

Het recht op journalistieke bronbescherming komt – kort samengevat – toe aan professionals, natuurlijke personen of rechtspersonen, werkend of publicerend in de media. Daartoe kunnen, behalve journalisten en publicisten, ook fotografen, cameramensen, cartoonisten, schrijvers, programmamakers, bloggers en vloggers worden gerekend.

Een afgeleide bescherming komt toe aan degenen die voorafgaand aan publicatie de betreffende informatie verzamelen, opslaan of bewerken. Te denken valt aan documentalisten, bureauredacteuren en secretariaatsmedewerkers. De bronbescherming omvat namelijk het verzamelen van informatie met het oog op berichtgeving ten behoeve van het publieke debat, ook als publicatie nog niet direct in zicht is maar wel wordt beoogd (bijvoorbeeld bij onderzoeksjournalistiek).

Resteert de vraag hoe om te gaan met de begrippen bron en bronbescherming. Niet iedereen die informatie verstrekt aan een journalist kan worden aangemerkt als bron.

Het moet gaan om iemand die uit vrije wil en doelbewust informatie aan een journalist verstrekt met het oogmerk om het publiek te informeren over zaken die betrekking hebben op het algemeen belang of het belang van anderen (Concl. A-G T.N.B.M. Spronken, ECLI:NL:PHR:2014:1777 bij HR 31 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:768).

Personen die heimelijk zijn gefilmd kunnen bijvoorbeeld niet gelden als bron. Zij hebben immers niet vrijwillig gefigureerd met het oog op publicatie in de pers. Volgens het EHRM was bronbescherming ook niet aan de orde in de zogenoemde Ravage-zaak, waarin een bomaanslag anoniem was opgeëist (EHRM 27 mei 2014, ECLI:NL:XX:2014:437 (Stichting Ostade Blade/Nederland)). De ‘bron’ van het tijdschrift Ravage had volgens het EHRM niet tot doel het publiek volledig te informeren en probeerde zich juist te onttrekken aan zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheden door anoniem te blijven.

Ook als een bron bekend is geworden, kan een journalist aanspraak maken op bronbescherming. Door de inzet van een dwangmiddel kunnen immers andere bronnen bekend worden of de omstandigheden waaronder de informatie aan de journalist is verstrekt (EHRM 5 oktober 2017, ECLI:CC:ECHR:2017:1005 (Becker/Noorwegen) en EHRM 16 juli 2013 nr. 73469/10 (Nagla/Letland)).

Een bron zelf heeft geen recht op bronbescherming (HR 31 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:768)

Ten gevolge van de Wet Bronbescherming in Strafzaken heeft het Openbaar Ministerie de eigen Aanwijzing geredigeerd, hetgeen er kortgezegd op neerkomt dat de interne afstemmingsprocedure is aangescherpt. De hoofdofficier van justitie moet voortaan instemmen met de toepassing van het betreffende dwangmiddel en het College van procureurs-generaal moet voorafgaand in kennis te worden gesteld.

De nieuwe Aanwijzing geeft voor het toepassen van dwangmiddelen een voor de praktijk beter hanteerbaar criterium. Aan toepassing van dwangmiddelen bij journalisten kan worden gedacht bij ernstige feiten waarop volgens de wet een gevangenisstraf van 12 jaar of meer staat. Daarbij moet altijd de proportionaliteit en subsidiariteit worden getoetst.

Enige parallellen met de Wet op de kroongetuige

Wij zien enige paralellen met de maatschappelijke discussie hoe om te gaan met kroongetuigen wanneer de vergelijking bron/journalist-relatie en de kroongetuige/OM-relatie wordt gemaakt. In het eerste geval gaat het om de personalia van de bron en in het tweede geval de deal die ten grondslag ligt aan de verklaring van de kroongetuige. Uiteraard is een bron c.q. klokkenluider die niet uit eigen belang verklaart over een misstand niet gelijk te stellen met een kroongetuige die in beginsel vanuit eigen belang verklaart. Desondanks is deze vergelijking interessant indien in ogenschouw wordt genomen dat het recht op bronbescherming niet absoluut is, alsmede het feit dat het Openbaar Ministerie onder bepaalde omstandigheden (na toetsing door een rechter-commissaris) dwangmiddelen kan inzetten om de bron te achterhalen. De vraag die wij ons hardop stellen is waarom de verdediging in strafzaken waarbij -een kroongetuige een belangrijke, zo niet doorslaggevende rol toebedeeld krijgt in de bewijsconstructie - niet dezelfde mogelijkheid krijgt als het Openbaar Ministerie om de inhoud van de deal te achterhalen, bij tussenkomst van de rechter (zie o.a. liquidatieproces Passage). In dat kader verwijzen wij graag naar het rechtsvergelijkend onderzoek dat is verricht door Jan Crijns, Marieke Dubelaar en Kelly Pitcher over de toekomst van de kroongetuige in het Nederlands strafproces (Nederlands Juristenblad, aflevering 22 (2018)).

Het is thans wachten op het arrest van de Hoge Raad naar aanleiding van het ingediende cassatieverzoek van mr. Sander Janssen in het passageproces. Afgelopen maand heeft hij zijn cassatieverzoek mondeling toegelicht bij de Hoge Raad en kortgezegd gesteld dat het staatsrecht is misbruikt, omdat het aanbieden van geld niet toelaatbaar is volgens de wet. Enkel het aanbieden van een lagere strafeis zou volgens de wet mogen. De Hoge Raad wordt hiermee ‘gedwongen’ zich voor het eerst uit te laten, tien jaar nadat de wet over de kroongetuige werd aangenomen.

Er zijn genoeg ontwikkelingen in het strafrecht te verwachten!

Posted in: Strafrecht