Swipe to the left

Niet uit te leggen

Print
Niet uit te leggen

Eén van mijn cliënten (bij Knoester Van der Hut Alberts & Korteling Advocaten) is in voorlopige hechtenis genomen terwijl hij kort daaraan voorafgaand begonnen was met het uitvoeren van diverse werkstraffen. Hij had een werkstraf afgerond en zou aansluitend hierop nog twee andere werkstraffen uitvoeren. De intake had dan ook al plaatsgevonden. Cliënt werd ten aanzien van de zaak waarvoor hij in voorlopige hechtenis werd genomen veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en ging daartegen in hoger beroep. Toen cliënt in afwachting van het hoger beroep bijna een jaar in voorlopige hechtenis verbleef, ontving hij tot zijn verbazing een tweetal kennisgevingen van het Openbaar Ministerie tot omzetting van de werkstraf in vervangende hechtenis. Hieraan lag exact hetzelfde reclasseringsrapport ten grondslag met de volgende redenering; “wegens langdurige detentie wordt de werkstraf als niet voltooid geretourneerd. De detentieperiode overschrijdt inmiddels de duur van 10 maanden, welke in overleg met het Openbaar Ministerie in Den Haag als maximale detentieperiode is afgesproken. Betrokkene is nog niet begonnen aan zijn werkstraf”.

Client had echter de wens om na zijn vrijlating de werkstraffen te voltooien. Niet alleen omdat hij geen dag langer in detentie wenst te verblijven dan nodig, maar ook omdat hij meent middels het uitvoeren van de werkstraf meer structuur in zijn leven te kunnen krijgen. Namens cliënt zijn dan ook een tweetal bezwaarschriften ingediend.

In Art. 22c lid 4 Sr. Is bepaald dat de termijn binnen welke de taakstraf moet worden verricht wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is. Uit de toelichting op deze bepaling in Tekst en Commentaar volgt dat dit artikel ertoe strekt te voorkomen dat de taakgestrafte verjaring van de taakstraf kan bewerkstelligen. In de toelicht staat “Er kan dus geen misverstand over zijn dat een taakgestrafte die kort na oplegging van die straf alsnog voor een ander feit in voorlopige hechtenis belandt een grote kans loopt vervangende hechtenis te moeten ondergaan, omdat het aan zijn optreden te wijten is dat de taakstraf niet realiseerbaar is”.

Een overweging die wat mij betref te kort door de bocht is. Los van het feit dat iemand ten onrechte in voorlopige hechtenis kan worden genomen, dient wat mij betreft ook niet zonder meer het vonnis van de opleggende rechter terzijde te worden geschoven wanneer iemand in voorlopige hechtenis wordt genomen en dientengevolge de termijn om de opgelegde werkstraf uit te voeren verstrijkt.

In het beschreven geval is naast aandacht te vestigen op de termijnverlenging van rechtswege, de nadruk gelegd op de motivatie van cliënt om de werkstraffen na invrijheidstelling ook uit te gaan voeren. Dit heeft erin geresulteerd dat het eerste bezwaarschrift gegrond is verklaard en cliënt na invrijheidstelling in staat zal worden gesteld de werkstraf uit te voeren.

Met deze beslissing in de hand, was de hoop groot dat ook het tweede bezwaarschrift, welke 3 weken daarna inhoudelijk werd behandeld, ook gegrond zou worden verklaard. In het kader van betrouwbare rechtspraak moet de maatschappij er immers op kunnen vertrouwen dat het recht niet nodeloos op verschillende wijze wordt toegepast. Dit zou de rechtszekerheid aantasten. Het bestaan van verschillen van uitspraken van rechters doet namelijk afbreuk aan de geloofwaardigheid van de rechtspleging en het recht van de burger.

Niets was echter minder waar. Het tweede bezwaarschrift werd ongegrond verklaard, waarbij aansluiting werd gezocht bij de toelichting op de bepaling. Impliciet werd aangegeven dat de eerdere beslissing onterecht zou zijn genomen. Voor cliënt was het niet te begrijpen dat hij binnen zeer korte tijd twee keer voor eenzelfde soort zaak voor de rechter stond, en de uitkomst zo verschillend was. Zijn vertrouwen in de rechtspraak was geschaad. Dit begrijp ik dan ook wel weer..

Posted in: Strafrecht