Swipe to the left

Nodeloze vertraging bij verzoeken ex. artikel 182 Sv

Print
By 1 december 2016 33499 keer bekeken Geen opmerkingen

Sinds januari 2013 (Ingevoerd op 1 januari 2013, Stb. 2011, 600 en Stb. 2012, 408) bestaat voor de verdediging de mogelijkheid om op grond van artikel 182 Sv de rechter-commissaris te verzoeken om onderzoekshandelingen te verrichten. Het moet dan wel gaan om een verdachte die is gehoord over een strafbaar feit of tegen wie een vervolging loopt. De verdediging heeft zo de mogelijkheid om in een vroeg stadium de mogelijkheid onderzoek te (laten) doen in plaats van wachten tot de zaak op zitting komt, hetgeen een efficiënte behandeling van de zaak bevordert. In deze blog zal ik echter toelichten dat dit in lang niet in alle zaken geldt.

De regeling

Het verzoek dient te worden gericht aan de rechter-commissaris van de rechtbank waar de vervolging plaatsvindt of waar het verhoor heeft plaatsgevonden (artikel 182 lid 2). De enige grond voor afwijzing is indien de gevraagde onderzoekshandeling niet kan bijdragen aan enige in de zaak te nemen beslissing, hetgeen duidt op een niet al te strikte en weinig formalistische benadering van de onderzoekswensen (ECLI:NL:RBOVE:2015:89). Zo zullen verzoeken tot het horen van getuigen die belastend hebben verklaard niet snel worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor verzoeken tot het horen van getuigen die een alternatief scenario kunnen bieden, een alibi kunnen verschaffen of die relevant kunnen zijn voor de strafmaat.

Bezwaar tegen afwijzing

Indien de rechter-commissaris het verzoek afwijst, kan op basis van lid 6 van artikel 182 Sv bezwaar worden gemaakt bij de rechtbank. De ervaring leert mij dat bezwaar maken vaak loont, aangezien niet iedere rechter-commissaris het juiste criterium toepast. Zo ook in zaak waarin een cliënt van mij verdacht werd van witwassen en om getuigen werd gevraagd waarmee de herkomst van sieraden onderbouwd kon worden (ECLI:NL:RBOVE:2015:89). De rechter-commissaris wees het verzoek af "omdat redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat de getuigen meer dan zeventien (of vijftien) jaar later nog kunnen verklaren over welk goud en/of welke sieraden als huwelijksgeschenk zijn gegeven". Het bezwaar tegen de afwijzing werd (uiteraard) gegrond verklaard: de rechter-commissaris had met deze motivering immers al een voorschot genomen op de door deze getuigen af te leggen verklaringen. Voor cliënt liep het uiteindelijk goed af: de zaak werd geseponeerd. Ook in een andere zaak maakte ik bezwaar tegen het afwijzen van het verzoek om twee verbalisanten te horen over de aard en omvang van de bedreigingen die mijn cliënt had gekregen nadat hij belastend had verklaard ten aanzien van een medeverdachte. Het bezwaar werd gegrond verklaard, nu de verhoren van belang konden zijn voor een te voeren strafmaatverweer.

Moment van indienen

Het moment waarop een dergelijk verzoek wordt ingediend is van belang voor de vraag of het ontvankelijk is. Indien het onderzoek ter terechtzitting reeds is aangevangen, is de rechter-commissaris niet meer bevoegd om op het verzoek te beslissen (Zie o.a. ECLI:NL:RBNNE:2013:CA0791, ECLI:NL:RBZWB:2013:5654 en ECLI:NL:RBROT:2013:BZ7275). Dat er geen ruimte is voor de rechter-commissaris nadat het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen, lijkt mij niet vreemd: de verzoeken kunnen dan immers al aan de zittingsrechter zijn voorgelegd. In bezwaar komen tegen een afwijzende beslissing nadat een pro forma zitting heeft plaatsgevonden, is dus niet mogelijk (Zoals geprobeerd is in ECLI:NL:RBZWB:2013:5654).

Probleemgevallen

De Hoge Raad heeft in 2015 bepaald dat geen plaats meer is voor de vorderingen of verzoeken aan de rechter-commissaris na (kennisgeving van) dagvaarding of na verwijzing op de voet van artikel 316 Sv (HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:505).

En juist deze uitleg levert problemen (lees: onnodige vertraging) op in zaken waarin wel al is gedagvaard maar waarin de zitting nog enkele maanden op zich laat wachten. In dat geval is de verdachte veelal binnen de eerste drie dagen na aanhouding heengezonden met een dagvaarding voor een politierechterzitting die drie à vier maanden later plaatsvindt; in Utrecht is dit geen uitzondering. Doordat er reeds is gedagvaard, is voor een verzoek ex. artikel 182 Sv geen ruimte meer en zal het verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard. Uitgerekend in dit soort zaken, die beoordeeld zijn door ZSM, levert de politie een dossier aan dat meer dan eens vraagt om aanvullend onderzoek. Doordat er in de tussentijd geen aanvullend onderzoek kan plaatsvinden op eigen initiatief van de verdediging, zullen deze zaken eerst op zitting moeten komen en vervolgens weer naar de rechter-commissaris moeten worden verwezen voor het onderzoek waar de verdediging al in een eerder stadium om had willen verzoeken.

Juist door deze dogmatische uitleg van de wet wordt de verdediging in deze (vaak relatief eenvoudige) zaken buiten spel gezet in de maanden voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling.

Als gevolg hiervan wordt kostbare zittingstijd verspild. Daarnaast zal een eenvoudige politierechterzaak onnodig lang op de stapel liggen. Ook wordt niet tegemoet gekomen aan hetgeen de wetgever bij invoering van deze wet van belang achtte, namelijk “een flexibele voorziening die de verdediging in staat stelt om de rechter-commissaris snel en adequaat bij het onderzoek te betrekken” (TK 2009/10, 32 177, nr. 3, p. 16). Juist door deze dogmatische uitleg van de wet wordt de verdediging in deze (vaak relatief eenvoudige) zaken buiten spel gezet in de maanden voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling. Nog daargelaten dat deze vertraging mogelijk ook negatieve effecten kan hebben op de herinneringen van getuigen en de beschikbaarheid van bewijsmateriaal. Een praktische oplossing zou zijn om een uitzondering te maken voor zaken waarin het onderzoek juist goed uitgevoerd kan worden binnen de termijn tot aan de zitting. En mocht dat onverhoopt niet lukken, dan is er altijd nog artikel 238 Sv op basis waarvan de rechter-commissaris het onderzoek kan beëindigen dan wel een proces-verbaal kan opmaken dat het onderzoek nog niet afgerond is. Aan de hand daarvan kan de zitting worden aangehouden of (indien het om getuigen gaat) de getuigen alsnog op zitting horen.

Een pragmatische benadering in deze zaken zal mijns inziens leiden tot minder nodeloze vertraging.

Nota bene

Wat schetst mijn verbazing? Tijdens het schrijven van dit blog ontvang ik een beschikking van de rechter-commissaris waarin positief beslist wordt op mijn verzoek ex. artikel 182 Sv. Dit betreft een zaak waarin cliënt reeds gedagvaard is voor de politierechterzitting in januari 2017, maar waarin ik - tegen beter weten in - toch op basis van artikel 182 Sv een verzoek indiende om getuigen te horen die een belastende verklaring hadden afgelegd tegen mijn cliënt. De rechter-commissaris erkent dat het haar “in beginsel niet vrij staat nog op het verzoek van de verdediging te beslissen. Om proceseconomische redenen heeft zij echter het verzoek, in overleg met de officier van justitie die daartegen geen bezwaar had, in behandeling genomen.” In de beschikking is tevens opgenomen dat het verzoek wordt toegewezen en dat zij de getuigen zal horen “voor zover dat nog voor de zittingsdatum (…) mogelijk is.”

Deze rechter-commissaris heeft dus voor een praktische oplossing gekozen, waarvoor hulde! Ik pleit er voor dat alle rechter-commissarissen bij alle rechtbanken voor eenzelfde praktische benadering kiezen. Tot dat moment zal het antwoord op de vraag of een verzoek in behandeling wordt genomen indien al gedagvaard is, afhangen van welke rechter-commissaris het verzoek behandelt.

Lees meer blogs over strafrecht op Strafrecht Blog.

Posted in: Strafrecht